Augustijn

Ooit was er een tijd dat elke brouwerij op zoek moest gaan naar een eigen abdijbier om de vers vertrekkende bierboot niet langs de kant te staan uitzwaaien. We spreken nu van de tijd voor de grote oliecrisis van vorige eeuw. Helaas raakte de namen van de bestaande grote abdijen vrij snel uitgeput. Vandaar dat brouwerij Bios in Ertvelde op het einde van de grote stoelendans besloot om geen abdij maar meteen een volledige kloosterorde aan boord te brengen van de nog steeds overdrachtelijke boot die u als universitair nog wel zal kennen uit de eerste zin van deze tekst. Bios, tegenwoordig bekend als brouwerij Van Steenberge, begon dan ook vol overtuiging met het brouwen van de Augustijn, een merk van paters dat voorheen bierloos door het leven moest. Echt héél erg ongelukkig was Bios overigens niet met het pas verworven Augustijnen label, want een paar jaar later was de spoeling zelfs al zo dun geworden dat brouwmeersters voor hun bier een abdij moesten zoeken die van horen zeggen vroeger nog in de buurt had gestaan. Ename, Corsendonk, Bornem en Ter Dolen om er maar een paar te noemen van de tweede keus. En nog een decennium later moest zelfs de Vlaamse Kerk haar eigen bier Pilaarbijter dopen omdat zowat al het andere religieuze erfgoed van de lage landen al een bijhorend bier had gekregen. Liers Begijnhofbier is voorlopig nog vrij denk bierman, net als Oostakkers of Scherpenheuvels bedevaartsbier maar echt zeker weet ik het toch niet helemaal.

Ontstaan in volle oliecrisis en de kater na de golden sixties, ademt de Augustijn tot op vandaag diezelfde oliecrisis-sfeer uit. Zelfs het etiket van dit bier pronkt nog steeds met identiek dezelfde elementen die dertig jaar geleden al moesten verkopen: een pater, een vat en een antiek lettertype. Ook in het glas is de Augustijn een subtopper vol overtuiging: stevige pareling zonder verfijnd te worden, stevige smaak zonder subtiel te zijn, stevige mout en bitterheid zonder echt helemaal evenwichtig te zijn. In zijn robuustheid lijkt het bier meer iets te zijn om in een aarden kroes te gieten en met minstens drie slokken tegelijk naar binnen te werken. Maar ook het glas van de Augustijn is gewoon een veilige klassieke kelk met een wat antiek aandoende belettering.

Maar laat dit alles nu ook de reden zijn waarom bierman eigenlijk graag Augustijn drinkt: de overtuiging waarmee Augustijn gewoon zichzelf is kan niet vals zijn. Wie aan kloosters en abdijen denkt, komt vaak uit bij beelden van eeuwenoude duistere gangen, gregoriaanse gezangen, oude paters en vergeelde perkamenten. Allemaal romantiek en marketing natuurlijk. Het gemiddelde Vlaamse klooster van pakweg de redemptoristen, salesianen, broeders van liefde of augustijnen is echt geen eeuwenoud middeleeuws complex maar een degelijke naoorlogse nieuwbouw die dringen aan renovatie toe is. Dit soort gebouwen ruikt naar boterhammen, koffie en kuisproducten. Er schuifelen geen monniken in pij rond, maar parochiepaters en leraarpaters met genieuwkuiste kostuums en stuk voor stuk een klein kruisje rechts op de vest. Paters met in de voormiddag een trouw, in de namiddag een begrafenis en tussendoor nog twee dopen. Paters die vier uur geschiedenis geven en zes uur Latijn. Minder romantisch allemaal, maar wel veel meer van vlees en bloed. Augustijnen zijn altijd al mensen geweest die in het leven staan en wat moeilijker op flessen te trekken vallen. Er zijn niet zo heel erg veel Augustijnen meer in Vlaanderen en er wordt zeker niet zo heel erg veel Augustijn gedronken. Maar onvervalst Vlaamser dan dit wordt er niet meer gebrouwen.

Tegenwoordig moet een nieuw bier bleek, fris en fijn zijn. Augustijn is een bier dat zonder aarzeling zijn eigen onvolmaakte zelf is. Als bierkenners sinaasappelschillen in de Westmalle ruiken, mag bierman dan boterhammen en koffie in de Augustijn vinden? Het is de geur van een tijd die zo dichtbij is dat we hem nog zouden kunnen vastgrijpen, maar tegelijk ook al zo erg definitief voorbij is. Een mens bloeit als een bloem op het veld, en niemand weet waar ze ooit heeft gestaan. (Ps 103)”.