Roman

Een paar weken geleden ging er een nieuwe editie door van Open Brouwerijendag, wat gewoonlijk wel garant staat voor alweer een hoogtepunt van het jaar. Bierman ging dan ook plichtsgetrouw op onderzoek uit naar Brouwerij Roman met in het achterhoofd de mogelijkheid om hier later een klein tekstje over te kunnen plegen.
Meer dan een gewone brouwerij is Roman eigenlijk een gigantische plaatsverspillende brouwsite met mooie residentiële gebouwen in Oostenrijkse stijl, een monster van een brouwschip in statige baksteen en glimmend koper, een afvullijn in goedgebruikte fabrieksloodsstijl en een binnenkoer die even groot is als al de rest samen (de spingkastelen staan er waarschijnlijk niet altijd). Vooral het aan de straat gelegen fabrieksgedeelte kan eigenlijk onmogelijk méér brouwerij uitstralen dan daar bij Roman. Bierman was dus al redelijk onder de indruk bij het betreden van deze biertempel en het leek inderdaad wel alsof de machtige omkadering het koperwerk vanbinnen meer deed blinken dan in andere brouwerijen. Toch was het vooral de oude stoominstallatie die gebruikt werd voor de koeling bij het brouwen van Pils die ronduit indrukwekkend was. Net deze installatie toont de betekenis van Roman in volle glorie als een brouwerij die erin slaagde om de omslag te maken naar lage gisting, daar waar zoveel andere brouwers uit de markt gingen of noodgedwongen innoveerden met de meest fantastische brouwsels. Een beetje verder stond Bierman overigens tussen een lange rij stalen pilskuipen en het daagde hem dat dit eigenlijk de eerste keer was dat hij een brouwerij met lage gisting bezocht, na heel wat zinken open kuipen, lange rijen eiken vaten, talloze tanks in allerhande soorten en maten voor de hoge gisting, was dit de eerste keer dat Bierman zich omgeven wist tussen hectoliters lage gisting. Voorwaar een moment om even stil van te worden (ware het niet dat de industriële afvullijn een beetje verder op volle toeren draaide – ook dat is telkens weer een plezier om te zien).

Met een bonnetje mocht Bierman ook gratis iets drinken (bedankt hiervoor Roman). Het Roman Oudenaards Bier werd een paar jaar terug omgedoopt tot Adriaan Brouwer. Er staat een schitterende beschrijving van dit bier op de site van Roman (www.roman.be) en het is ook een lekker bier, maar in dit genre heeft Bierman eigenlijk stiekem een voorliefde voor meer wrange toetsen zoals die bijvoorbeeld in de Oudenaardse Felix van vroeger zaten of voor de spontane zurigheid in de al even Oudenaardse Liefmans Oud Bruin. In vergelijking met deze monumenten is de Adriaan Brouwer een erg veilig bier en Bierman kan zich niet van de indruk ontdoen dat het er met de jaren veiliger op wordt. Dan is de nieuwe Adriaan Brouwer Black Gold een veel indrukwekkender bier. Helaas was een ijskoude versie die Bierman dronk op het terras van de biertent bij de brouwerij, in volle zon, met een live optreden van een Sinatra imitator op de achtergrond, niet echt de ideale setting om complexe aroma’s op het spoor te komen. Verder brouwen ze bij Roman voor zowat heel de streek – inclusief alle parochiezalen – nog de verdienstelijke Enames, de lekkere Romy Pils, de sfeervolle Special in Engelse stijl, Mater Witbier, Sloeber (een Duvelkopie en het merk van Baltazar Boma) en een overbodige luxepils met de naam Black Hole.

En daarmee vormt de brouwerij een indrukwekkend stukje brouwgeschiedenis dat hopelijk nooit verloren zal gaan en tegelijk is het een levende brouwerij met een ruim assortiment zeer degelijke bieren. Ze hebben niet meteen een jong en dynamisch imago zoals onze grote multinationale pilsbieren (soms wordt er wel wat onterecht gegniffeld met de Romy Pils) maar met de aanstormende vergrijzing is dat volgens Bierman veel meer een voordeel dan een nadeel.

Amateur, Kenner, Brouwer

“Bierman…”, zo vraagt de verzamelde schare van volgelingen bij gelegenheid wel eens in café de Scheven Biljart, of ook wel “O grote bierman, …leer ons het geheim van bier en het verschil tussen goed en slecht bier”. “Helaas, helaas, helaas”, zegt bierman bij dit soort gelegenheden terwijl hij met toegeknepen ogen nipt aan een ijskoud Gildenbier, ”driewerf helaas, dat is niet mogelijk.” Natuurlijk is dit niet mogelijk omdat volgelingen met grote puppy-ogen nooit een goed idee zijn (of ze nu religieus of culinair fanatiek zijn), maar toch zijn er nog enkele andere motieven die bierman ertoe nopen niet aan deze op het eerste zicht redelijk onschuldige smeekbedes tegemoet te komen. Bierman schrijft namelijk tekstjes over bier: een paar losse gedachten, een kleine anekdote en een spitvondige uitsmijter, even laten doorkoken en klaar is het orakel. Bierman weet veel losse dingen over veel verschillende bieren. Maar het probleem is eigenlijk dat Bierman een amateur is met een mening en geen kenner die een bier objectief wil beschrijven. Van die tweede soort – de bierkenners - zijn er wel wat meer exemplaren, maar die doen toch eigenlijk iets heel anders. Bierman schrijft over wat hij graag drinkt, of het bier mooi of lelijk is, lekker of smerig, eerlijk of vals en waar en wanneer een bier het best tot zijn recht komt. Naast een paar gemakkelijke opmerkingen over objectieve kenmerken als geur, kleur, smaak en schuim is Bierman verder onbeschaamd subjectief op de meest comfortabele manier die er bestaat. De bierkenner probeert een bier zo objectief mogelijk te vatten in woorden.

Volgens de mythe – waarbij bierman overigens niet betwist dat dit ook zo zou kunnen geweest zijn, maar het blijft een mythisch verhaal – was het Michael Jackson die de bieren van ons land voor het eerst begon te beschrijven met een aangepast vocabularium van de Sommelier. Via hem zijn termen als koriander, anijs en sinaasappelschillen gemeengoed geworden in de betere bierbespreking en werden deze later uitgebreid met een veelvoud aan analogieën tussen biersmaken en bestaande en gekende smaken. Blijkbaar vinden veel bierkenners dit een accuraat instrument om biersmaken en geuren te vatten en te vertalen naar tekst, want tegenwoordig doen ze het vrijwel allemaal zo. Maar vooral bij de bierrecensies in de weekendbijlage van het Nieuwsblad bekruipt Bierman wel eens plaatsvervangende schaamte en het gevoel dat de boel redelijk ver aan het doorslagen is. Besprekingen van niet eens zo opmerkelijke bieren brengen termen voort als rook, rijpe banaan, gestikte jutte, ananas, vanille, komijn, citrus, kandij, kersen, maanzaad, meloen en turf. En dat zijn nog maar de voor de hand liggende stopwoordjes van de bierkenner. Soms zitten er echt wel obscure verwijzingen in als zilvergeur of esdoornhars (toegegeven, niet in het Nieuwsblad) waarbij elk voorstellingsvermogen tekort schiet. Waar halen die gasten dat? Bierman moet echt wel al veel gedronken hebben om dit soort dingen uit een bier te halen. Misschien dat de twaalfde Jupiler Tauro inderdaad in de neus naar gebloemde kamelenpis met een vleugje sinterklaaszweet ruikt en bij aanzet toetsen toont van platte confetti met een zweem van tomatenpuree met daarbij een duidelijk dragende ondertoon van pure ongesuikerde chocolade, terwijl de korte afdronk doet denken aan brandnetels in de late herfst. Maar Bier is toch geen wijn? Bij gegist druivensap – dat in wezen veel minder complex is - is inderdaad een woordenboek nodig om er nog wat variatie te krijgen. Daardoor ontstaat er meteen ook een elite van zelfverklaarde wijnkenners en de mogelijkheid om dure wijn te verkopen (omdat de elite er een fijn boeket in projecteert).
Voor Bierman (die dus een amateur is, geen kenner) zijn bier en wijn gewoon smaak, geur, kleur, schuim (liever niet bij wijn), body, hoe het bier en de wijn gemaakt zijn en vooral de omstandigheden en het gezelschap waarin ze het drinkt. Al de rest is gebakken lucht en dient de verkoop. Overigens: Amateur of kenner, Bierman heeft eigenlijk nog het meeste bewondering voor de brouwer. Want zelfs al zouden ze Bierman alle ingrediënten en een volledige brouwfabriek geven, hij zou in alle eerlijkheid niet weten hoe hij er aan zou moeten beginnen.

Koolputter

Bierman kreeg vorige week een Koolputter in het glas en het was eigenlijk een bier zoals bierman ze graag drinkt. Het bier zelf is gemaakt voor de toeristische dienst van Beringen en de naam verwijst natuurlijk naar de rijke mijncultuur van de streek. Het probleem met dit soort bieren - en bij uitbreiding met zowat elk bier in ons land - is dat de informatie op het etiket volstrekt ontoereikend is. Bij het drinken van de eerste slok had bierman er eigenlijk nog geen idee van wie het bier gemaakt heeft en waar het werd gebrouwen. Het leek bierman dat de makers van dit bier ervan uitgingen dat een toevallige toerist die net een bezoek aan de mijnsite of een fietstocht van Beringen naar Tongeren achter de rug heeft geen boodschap heeft aan hoe of wat er juist in het glas zit om de dorst te lessen. Het probleem duikt wel vaker op bij bieren die op de rug van onze buitenlandse successen gecreëerd worden tot nut en vermaak van het lokaal toerisme. Even rondzoeken op het internet leerde overigens dat de koolputter gebrouwen word in de proefbrouwerij in Lochristi (Bij Gent). Maar of Beringenaars hun eigen recept hebben uitgevoerd in de installatie aldaar of, hun groot idee helemaal hebben laten uitwerken door de brouwers van Lochristi heeft bierman het raden naar. Misschien maar eens op onderzoek uitgaan.

Veel verwachtingen had bierman al bij al niet meer bij het nemen van zijn eerste slok koolputter bij het volgen van de laatste 40 kilometer van de Brabantse Pijl voor de televisie. Vreemd genoeg bleek het een bier te zijn zoals bierman ze graag drinkt. In het glas was de koolputter zo zwart als pasgedolven antraciet. De schuimkraag leek wel opgeklopt lichtbruin eiwit en in het flesje bleven genoeg gistvlokken achter om nadien nog cornflakes te bakken. Achteraf gezien is dit eigenlijk niet onlogisch natuurlijk. Het gaat tenslotte om een bier in de geest van de beste mijnwerkerstraditie en bij een mijnwerker die heel de dag onder de grond heeft gewerkt werkt een zacht aromatisch bier met vleugjes koriander of godbetert sinaasappelschillen in de neus waarschijnlijk meer op de lach- dan op de smaakspieren.

Bierman is met zijn kleinmannen ooit eens naar een mijnmuseum gegaan in Noord Frankrijk en bij die gelegenheid afgedaald in een mijnschacht. De begeleidende kompel startte uit educatieve overwegingen alle transportbanden, klopboormachines, pneumatische hamers, brekers, schuurders en ander materiaal even op waarbij de kinderen van het verschieten telkens angstig weggevluchtten in een of andere schacht met de handen op de oren. Bleek achteraf overigens dat heel de bedoening fake was en dat we niet onder de grond zaten, maar in een als koolmijn vermomde gang boven de grond. Niet echt, maar wel heel goed gedaan, net als de koolputter zelf. Een slok Koolputter is dan ook een goed gemaakte slok bruin bitter slijkwater van 10 graden dat vanachter in de mond nog wat bijschuimt. Het is een bier met véél mout en héél véél bitterheid (toegegeven: op het onevenwichtige af). Geen makkelijk terrasbier dus en zelfs geen moeilijk terrasbier. Meer is om vanachter in een hoek van het café na middernacht een gesprek te begeleiden waarvan bij voorkeur een kwart bestaat uit gevloek of gescheld.

Niet iedereen heeft een bek voor moeilijke smaken. Getuige hiervan een reactie op het www.ratebeer.com die ik u graag (en met enig leedvermaak) meegeef: “No head; fully hazy like a brushes-rincer. Woodstainer with prunes and glue and acetone or other ketones. UUGH. What is this? I can hardly swallow a sip. Rotting wood and medlars overdone, again ketones. MF: obviously dangerous for teeth and mucoses. De PROEF???? This tastes as a drink for Terry Pratchetts’ trolls at Ankh-Morpork.” Geef toe, een betere aanbeveling kan je als bier toch niet krijgen?