Craft

 

“Bierman”, zo klonk vorige week een schuchtere stem over Biermans schouder terwijl hij aan zijn vaste tafel in café de Vettige Swa zat. Het was voor Bierman het signaal om nog een laatste grote slok te nemen van zijn Straffe Hendrik Quadruppel en terwijl hij zijn glas met een nonchalant gebaar terug op de tafel plaatste, keek hij de onverlaat die het waagde hem aan te spreken aan met een blik waaruit een zorgvuldig afgewogen mengeling van ernst en deemoed sprak. Het weze in deze context opgemerkt dat de kern van Biermans aura van schier totale alwetendheid erin bestaat dat hij zich onder geen beding verrast toont, hoe onverwacht de vraag ook mogen zijn. Zijn voorbereidende slok bier en aansluitende blik paste dan ook in een uitgekiende strategie om zich heimelijk mentaal schrap te zetten op wat komen zou. “Bierman”, zo sprak de stem, “Craft, wat is dat eigenlijk en ook: waarom kijkt ge zo scheef naar mij, gaat het wel goed met u?”

Verrast knipperde Bierman met zijn ogen: “Craft?, hoezo, Kraftwerk? Autobahn? of bedoel je die multinationale onderneming die ketchup en mayonaise maakt?” Deze keer was het aan Biermans gesprekspartner om verward te kijken (met een hint van paniek in het rechterooglid). Het gesprek dat hieruit volgde verliep nog heel de avond erg stroef.

 Maar niet getreurd. Inmiddels heeft Bierman zich helemaal ingewerkt in de materie en tot nut en vermaak van het gemeen wil hij met graagte zijn bevindingen even samenvatten. Craft, zo blijkt, laat zich het best vertalen als ambacht. Niet het licht incestueuze ambacht van de gezellen en meesters van weleer die onze gilden bevolkten, maar wel de romantische reanimatie van dit idee nadat de laatste ambachtsvrouw (bier maken was een vrouwenberoep) al lang gestorven was. Kortom Craft verwijst naar een onheilig huwelijk van romantiek en amateurisme. Het gaat om mensen die zelf bier willen maken en zich daarbij niet laten tegenhouden door details als het feit dat ze geen brouwerij hebben, geen volk kennen dat hun bier effectief wil drinken en er eigenlijk ook al genoeg anderen zijn die dat allemaal al heel lang veel beter doen. Brouwerijen bijvoorbeeld.

In België bestaat Craft amper omdat er genoeg goed bier op de markt is en de lokale heemkundige kring het monopolie op het woord ambacht heeft verworven. Wie hier zelf gaat prutsen in de keuken eindigt doorgaans met veel te veel middelmatig bier en een zeurend schaamtegevoel dat slechts traag slijt met de jaren.  In het buitenland daarentegen, waar pils de norm is, vormt zelfs de wisselende kwaliteit die hobbybrouwers opleveren een verademing tegenover decennia van bierverloedering. Helaas hebben buitenlandse zelfbrouwers de nijging om te overcompenseren door alles te bitter, te zwart of (recent) te zuur te maken. Het is dan ook correcter – zij het een weinig boosaardig - om over Witchcraft-bier te spreken waarbij het toverwoord “Craft” de magische stopverf is waarmee fouten in het bier worden gladgestreken. Overigens valt ook Witchcraft vandaag de dag met wat goede wil te definiëren als een mengeling van ambacht en romantiek.

Af en toe overkomt het Bierman dat hem een schuimend glas craftbier voorgezet wordt door een enthousiaste acoliet van Craft, wat hij doorgaans met plezier opdringt, net zoals hij bijvoorbeeld ook met graagte naar Harry Potter kijkt. Maar om nu zelf te gaan vliegen op een bezem…

White Supremacy

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de titel van deze Bierman verwijst niet naar de biersmoelen en beulskoppen die vandaag met gestrekte muisarm hun haatberichten verzenden, in een wat genante poging om de mythe van hun voortreffelijkheid in stand te houden terwijl iedereen weet dat die al lang elders is ingetrokken. Of misschien wel, op een bepaalde manier. Want zijn wij Belgen niet allemaal stiekem van overtuigd dat het centrum van de bierwereld door het Waalse dorpje Jupille loopt en dat diezelfde wereld tot tranen toe bewogen wordt bij het horen van onze naam. “Eén Volk, één land, één bier” zo zou Bierman dit gevoel lapidair kunnen uitdrukken, wat inderdaad niet in tegenspraak hoeft te zijn met drie gewesten, zes parlementen en 3000 bieren, zolang er maar een koning is om alles te regeren. Maar iedereen die niet noodzakelijk het perspectief van België deelt (Bierman denkt dan bijvoorbeeld aan alle niet Belgen) weet natuurlijk dat er maar twee echte koningen zijn in Europa. De eerste is de zwarte koning die luister naar de naam Guinness. Over dit bier zal Bierman het later met veel genoegen nog hebben, maar voorlopig is het voldoende om op te merken dat dit bier zwart ziet als de ziel van een White Supremacist en gekroond wordt door een hapklare romige schuimkraag waarvoor de term likkebaarden is uitgevonden. Wat Bierman uiteindelijk tot de sleutelvraag van zijn betoog brengt. Wat is écht wit en superieur aan al het andere? Het antwoord is natuurlijk Pilsner Urquell, de Witte Koning van Europa. In 1842, een wat vreemde tijd waarin gist en bacteriën nog machtiger waren dan virussen, werd in het onooglijke Tsjechische stadje Pilsen voor het eerst een helder blond bier van lage gisting ontworpen (lage temperatuur, onderin het brouwsel). Uitvinder van dienst was de briljante Duitser Josef Groll die daarmee de rechtstreekse inpiratiebron ("Urquelle" in 't schoon Duits) werd voor twee derde van alle bieren in de wereld. Tientallen kilometers mergelgrotten werden uitgehouwen onder de stad om de vaten op late temperatuur te kunnen laten gisten en bovengronds verscheen een indrukwekkende brouwsite met eigen mouterij, brouwschip en iconische toegangspoort. Ook dit bier draagt een kroon in de vorm van een dikke laag schuim dat weerstand biedt bij het toehappen. Vers van de tap, of beter nog vers van een ambachtelijke gebrouwen vat bij een ondergronds brouwerijbezoek, kan de conclusie eigenlijk niet anders zijn dan dat er 180 jaar later nog steeds maar één enkele pils bestaat in de wereld. Wie ooit één keer in het leven écht Urquell heeft gesmaakt voelt enkel nog plaatsvervangende schaamte wanneer adepten van pakweg Stella, Heineken of Bud elkaar trachten te overtroeven. Boven dit alles verheven bestaat Urquell, de onbewogen beweger van alle Pilseners, die zichzelf uitput door simpelweg te bestaan. Zoals het een ware koning betaamt.

Bitter

Vroeger, in de jaren ’80 van de vorige eeuw was het leven in Bierland simpel: er waren ongeveer duizend biermerken, waarvan de helft gewoon Augustijn was dat werd afgevuld met een ander etiket. Dat maakte van Augustijn zowat het referentiebier voor het hele land. Iets beters brouwen was niet echt moeilijk en als een bier dat niveau niet haalde dan was de meestal het gevolg van flagrant amateurisme – iets wat we tegenwoordig “Craft” zouden noemen − of omdat het grootste deel van het budget naar marketing ging in plaats van naar grondstoffen. Moest Bierman een slechte mens zijn dan zou hij dat laatste “Leffe” kunnen noemen. Maar Bierman is geen slechte mens en Leffe is uiteindelijk toch ook maar gewoon een bier.

Misschien is het wel een gelukkig toeval dat Bierman het bier leerde waarderen in dit andere tijdperk, toen de consumenten nog konden praten. Hij kan ze nog allemaal bij naam noemen: de gewoontedrinkers van doen, die half hangend aan de toog wisten wanneer de brouwer een paar duizendsten van een procent met hun bier geprutst had en die geen schroom kenden om in ondubbelzinnige bewoordingen dit onheilige huwelijk van hoogmoed en ondernemingszin te veroordelen. De meesten van hen zijn al lang geleden gestorven met de smaak van bierschuim nog op de lippen. Misschien maar goed dat ze het postmoderne biergeweld dat nu de wereld overspoelt niet meer moeten meemaken. Ze zouden er niets van begrepen hebben. Het laatste schot in deze al lang verloren oorlog viel toen misdaadauteur Pieter Aspe zijn fictieve hoofdcommissaris Van In samen overschakelden van Duvel naar Omer. Daarna kwamen de barbaren.

Om maar te zeggen: Bierman is terug. Tien jaar lang besprak hij elk biermonument te lande in hoop ooit het einde te bereiken. Achievement Unlocked zoals de millenials het zouden zeggen: alles gedronken, alles besproken, over alles een finaal oordeel klaar. Om dan vermoeid maar voldaan, met een jonge Orval in de hand naar de gouden gloed van de onderstaande zon te kunnen kijken bij zichzelf prevelend: "het is volbracht".  Maar Biermans groot gedacht liep stuk op de realiteit van een bierwereld die rond de eeuwwisseling uiteenspatte in eindeloze variaties van zichzelf. Waar de anderen rijkdom zagen, zag Bierman armoede en dus heeft hij de afgelopen tien jaar heeft gezwegen om zich te wentelen in een deken van melancholie en gehopte tranen (geen onprettig gevoel overigens). 

De realiteit die Bierman en zijn generatie heeft moet leren aanvaarden is dat iedere prutser nu zelf zijn bier maakt in een emmer onder zijn bureau en dat die prutser – met dezelfde onkwetsbare naïviteit als de uitvinder van de Pizza Hawaï – van mening is dat de wereld hem hier oneindig dankbaar voor zijn moet. De realiteit is ook dat Bierman langzaam klaar is met zwijgen en met enig sardonisch genoegen de rol opneemt die hem heeft toekomt: uitgebreid en in detail de tekortkomingen van nieuwerwetse brouwsels duiden, onderwijl niet aarzelend om steeds nieuwe variante te bedenken van die éne boutade: vroeger was alles beter.  Bierman is dus terug, bitterder dan ooit en ook wat op leeftijd. Juist zoals hij zijn bier graag heeft.

Bierman verschijnt ook in dwars