Het Reinheitsgebot

« Buitenlanders kunnen niet drinken », zo klinkt het bij gelegenheid onder studenten. Bierman zucht, schudt meewarig het hoofd, en geeft een klein woordje van uitleg. Hoewel er wel degelijk enkele indicaties zijn, meestal exemplarische anekdotes, dat Erasmusstudenten sneller geïntoxiceerd raken van onze locale bieren, blijkt de wetenschappelijke theorievorming hieromtrend een eerder wankele basis te vertonen. Omgekeerd brengen onze eigen zendelingen uit het buitenland ook verhalen terug van met glans gewonnen drinkgelagen. Een ongeschreven wet van onze voorvaderen zegt evenwel dat visserslatijn tot 40 procent overdrijving kan bevatten, een marge waarbij wij arme Belgen helaas bij de meeste verhalen uit het buitenland het spit zullen moeten onderdelven.

En toch, bierman graaft dieper en stoot op enkele opmerkelijke eigenschappen van onze locale bieren die – toegegeven argumenteerbaar – mogelijk een verklaring kunnen geven voor de subjectieve perceptie van versnelde intoxicatie tijdens bierconsumptie bij buitenlandse studenten. Zo wordt in de ons omringende landen al eeuwen gebrouwen volgens het Duitse Reinheitsgebot uit 1516. Om misbruiken bij brouwers tegen te gaan werd namelijk in het Heilig Roomse Rijk beslist om enkel de basiselementen van bier toe te laten in het brouwproces (dus tot op vandaag enkel mout, water, gist en hop). Het toevoegen van kruiden of gemakkelijk vergistbare suikers (geraffineerd, maar ook uit vruchten of maïs) is niet toegelaten. Volgens voorstanders zou bier dat volgens het Reinheitsgebot gebrouwen is beter van smaak zijn. Tegenstanders noemen de regeling achterhaald vanwege de moderne voedselrichtlijnen en scherpe controle (brouwen met zagemeel zou echt wel verboden blijven). De ontwikkeling van de nobele kunst om kruiden toe te voegen aan het bier is alvast vrijwel volledig op Belgische rekening te schrijven.

Bijgevolg zijn de bieren over de Rijn “volmoutbieren”. Gist zet suiker om in alcohol en koolzuurgas en omdat in onze Vlaamse bieren de suikers voor de vergisting niet enkel uit mout komen, kan het gistingsproces vlotter verlopen en is het eindproduct vaak een licht verteerbaar bier met meer koolzuurgas en meer alcohol. Volmoutbieren zijn zwaarder, minder alcoholisch en moeilijker drinkbaar. Autochtonen kennen niet anders, maar een buitenlander die gewoon is om volmoutbieren te drinken zal relatief sneller onder invloed komen van onze laaggegiste (cfr. Het effect van champagne). Ook met de “platte” Engelse Ales, hoewel gebrouwen zonder reinheitsgebot, kan je een soortgelijke redenering maken.

Het valt overigens op dat buitenlanders doorgaans minder moeite hebben om onze zwaardere bieren (bieren van hoge gisting zoals Duvel of Trappist) te drinken. Ook al omdat ze hier wat voorzichtiger mee omspringen. En omgekeerd zou je natuurlijk ook kunnen zeggen dat buitenlanders onze pilsbieren niet kunnen verdragen omdat ze onzuiver gebrouwen zijn.


Koken met bier: Rodenbach, Hartige uiensoep
8 middelgrote uien, 2 teentjes look, 50 g boter, 0,5 L bouillon (blokjes of vleesextrakt), 1 lepel bloem, peper, zout, 2 flesjes Rodenbach, geraspte kaas.

De grofgesneden uien en look goudbruin bakken in de boter. Strooi dan de bloem over de uien en laat nog een paar minuten sudderen. Giet vervolgens de vleesbouillon en de 2 flesjes Rodenbach in de kom en laat alles gedurende 5 minuten koken. Breng op smaak met peper en zout. Serveren met kaas of een sneetje geroosterd brood met kaas gegrilleerd laten zwemmen op de Rodenbach-uiensoep.


Bierman

Abdijbieren

Al van bij hun ontstaan voorzagen kloosters en abdijen zoveel mogelijk in hun eigen onderhoud. Hoewel de meeste kloosterordes iets meer zuidelijk ontstaan en dus regels ontwikkelen voor het produceren en gebruiken van wijn, schakelden de abdijen in onze streken, waar graan beter gedijt dan druiven, al vrij snel over op de productie van het meer gebruikelijke bier. Het brouwen van bier binnen de muren van een abdij voor persoonlijk gebruik groeide zo uit tot een belangrijke traditie. Bovendien slaagde de abdijen erin om zeer kwaliteitsvolle bieren te maken en nieuwe productiemethodes te ontwikkelen (waarvoor dank). Het is echter wachten tot in de 20e eeuw alvorens brouwers pogingen ondernemen om abdijbieren te commercialiseren. De Witkap Pater (1929) was het eerste bier dat meer afhing van de brouwer dan van de abdij (en dus de moeder van alle abdijbieren). In het zog van de Witkap zouden nog heel wat andere ‘trappisten’ volgen, tot in 1962 de naam Trappist wettelijk beschermd werd en enkel de vermelding abdijbier toegelaten bleef.

De klassieke kenmerken van een abdijbier dateren uit deze periode: de typische driedeling in twee doordrinkbieren (Blond en Bruin (dubbel)) en één degustatiebier (meestal een blonde Tripel). Ook typisch zijn het kelkglas, de hoge gisting, toevoeging van suikers in het mout om de verteerbaarheid te vergroten, hergisting op fles en afvulling op 33cl.

Bij de groeiende centralisatie van grote brouwerijen na de oorlog, zocht elk van deze nieuwe grote brouwersgroepen naar een eigen abdijbier. In heel België werd druk onderhandeld met paters van alle mogelijke soorten en licenties en merknamen schoven regelmatig door elkaar. Vaak werden ook bestaande streekbieren onder de nieuwe abdijnaam afgevuld. In een aantal gevallen kozen de brouwers ook voor een onbestaande (of niet meer bestaande) abdij. Ook werd stelselmatig en zeer bewust geen enkele poging ondernomen om abdijbieren te onderscheiden van de, door het publiek zeer gewaardeerde, trappisten (waardoor er tot op vandaag Tavernes bestaan die het nodig vinden om ‘trappist Leffe’ of ‘trappist Grimbergen’ op de kaart te zetten).

Na de stoelendans kwam dan de periode van de consolidatie. De brouwers ontwikkelden in 1998 het label “erkend Belgisch abdijbier”. Bieren die toen reeds op de markt waren werden erkend als ze een band hadden met een abdij (bestaand of niet meer bestaand), royalty’s betaalden aan de abdij voor goede werken/cultuur of aan een stichting en er vanuit de abdij of stichting controle was op de publiciteit. Voor bieren die na 1998 op de markt verschenen werden de criteria veel strenger: naast de royalty’s en controle op de publiciteit moet er ook een band zijn met een bestaande abdij die een aantoonbare geschiedenis heeft van bierbrouwen! Deze maatregel vormt duidelijk een bescherming van dit marktsegment, hoewel ze natuurlijk ook uitholling van de term abdijbier tegengaat.

Er werden 18 Belgische merken van abdijbieren erkend in 1998: Grimbergen, Dendermonde, Saint Martin, Steenbrugge, Sint-Pieters, Abbaye de Cambron, Affligem, Postel, Saint Feuillien, Tongerlo, Leffe, Bonne Espérence, Floreffe, Maredsous, Ename, Val Dieu, Bornem en Keizersberg. Bierkenner Jef van den Steen neemt in zijn boek over abdijbieren nog vier andere merken op: Witkap (zie boven), Sint-Bernardus (in 1998 nog verbonden aan trappist West-Vleteren), Pater Lieven (geen abdij, maar wel een pater) en Sint-Isebald (verdwenen abdij van Ter Duinen, de royalty’s gaan naar archeologisch onderzoek en onderhoud van de site). Recent verscheen nog “Abdis” op de markt dat ook alle uiterlijke kenmerken van abdijbier vertoont.

Voor de volledigheid geef ik nog even de link tussen bier en brouwersgroep: Leffe = Inbev, Grimberen = Maes, Affligem = Heineken, Steenbrugge = Palm Breweries, Tongerlo = Haacht (primus), Maredsous = Moortgat (Duvel) en Ename = Roman.


Uw Bierman

Bepaal zelf uw Pilsener Drinkgedrag

“Bierman”, zo vragen ze mij soms, “zeg ons hoe drink je bier?” Ik placht dan steeds mijn wijze hoofd te schudden en zachtjes te zuchten “arme studenten, gevangen in de sociaal geconditioneerde plicht om snel en veel pils te kunnen drinken. Vele soorten zijn er en ik noem ze om ze te kunnen bezweren”. Vandaar, trouw publiek dat nog niet is afgehaakt, nodig ik u uit om uw eigen pilsener drinkgedrag te bepalen. U dient voor zichzelf een hoofdgroep en maximum twee subgroepen te selecteren (en u verder eventueel te laten behandelen).

Pilsener drinkgedrag hoofdgroepen:
De naïeve drinker: denkt dat hij altijd alles volledig moet opdrinken en keer op keer in de goot eindigt (zou iemand hen alstublieft willen zeggen dat “doen alsof je snel veel drinkt een basisvaardigheid voor de student is en dat spaghetti geen goede voorbereiding op een cantus is).
De simulant: doet alsof hij altijd alles volledig opdrinkt om sociale status te verwerven.
De wandelende lever: een uiterst zeldzame soort die wel snel en veel kan drinken vanwege de aangeboren lichamelijk constitutie, maar hier verder geen enkele verdienste aan heeft.
De bieronkundige, komt al onder de invloed van alcohol door naar alcoholvrije pils te kijken. Goedkoop, maar de toegang naar simulatie wordt volledig geblokkeerd. Sociale status verwerven in de groep moet op andere manieren gebeuren (zou iemand nog even willen uitleggen dat negatieve aandacht door extreme alcoholintoxicatie enkel op korte termijn werkt. Dit is echt een vals gevoel van populariteit.).

Pilsener drinkgedrag subgroepen:
De merkenfetisjist: de wetenschappelijk zeer betwistbare overtuiging dat de ene pils beter is dan de andere (lol). De sociale drinker: drinkt in groep, vaak in combinatie met simulatie (zie hoofdgroep). De eenzame drinker: drinkt alleen. De zielige drinker: drinkt zelfs niet met zichzelf. De distributeur: trakteert zijn drinkebroers met lauwe pils (vaak in combinatie met eenvoudige doch uiterst effectieve humor zoals de truc met de eendjes). De schrale drinker: verzamelt bierrestjes uit achtergelaten glazen, hoewel geapprecieerd door caféhouders, toch ook vaak sociaal gesanctioneerd). De klassieke ontkenner: beweert elk moment te kunnen stoppen met drinken, in studies beschreven als het meest betrouwbare criterium voor alcoholisme. De biermasochist: lust eigenlijk geen bier, maar het toch drinkt om bepaalde voordelen te verwerven (sociale status, nieuw lief of notities). De Celsiuszaag: slaagt erin om op een marginale cantus, in een gore vochtige kelder tussen gillende studenten, serieus te klagen dat het bier te warm of te koud is. De spons: drinkt alles als het maar geel is en een gisting heeft ondergaan (of ondergaat), schuim is een meerwaarde. De slemper (variatie van de simulant): Slempen is de drinktechniek voor inferieure bieren (zoals pils) waarbij meer dan de helft van het glas/emmer/recipiënt naast de mond van de drinker loopt. De amnetische drinker: heeft geen bewuste herinneringen van gedragingen onder invloed. Bij deze groep ontstaat vaak een erg grote discrepantie tussen de subjectieve perceptie van hun eigen sociale status (eerder hoog) en deze van de omgeving (eerder laag). De geheelonthouder: onder invloed van alcohol focussen de gedachten zich op één thema waarover als het ware alle details onthouden worden (als een slechte plaat die blijft hangen). We onderscheiden de introverte geheelonthouder (zit in een hoek en begint na enige tijd spontaan te huilen) tegenover de extroverte geheelonthouder (begint spontaan te huilen en eindigt in een hoek). De oeverloze emmer: heeft een speciaal metabolisme dat pils omzet in gezwets. En tenslotte de duikelaar: die een constante variatie steekt in de positie van het hoofd t.o.v. de grond.

Met de hoop u hiermee van dienst te zijn geweest verblijf ik verder, beste bierliefhebber, in het volle bewustzijn om meteen ook het laatste woord over pils gezegd te hebben, met de meeste hoogachting,

Uw Bierman.


Koken met bier: Gehaktbrood met chorizo en donker abdijbier.

450 gram rundergehakt, 150 gram chorizo, een ui, twee tenen knoflook, een eetlepel Chilipoeder, twee theelepels korianderpoeder, 50 gr paneermeel, een ei, boter, 1,5 dl trappist, peper en zout

De ui en knoflook schillen, in stukjes snijden en samen met het rundergehakt, fijngesneden chorizo, Chili- en korianderpoeder, paneermeel en een ei mengen in een mengkom. Het bier erdoor mengen en op smaak brengen met peper en zout. De oven voorverwarmen op 200 graden Celsius. Een cakevorm of bakblik invetten met boter. Het gehaktmengsel hierin verdelen en goed aandrukken tot alle hoeken goed gevuld zijn. Het gehaktbrood midden in de oven plaatsen en in ruim 45 tot 50 minuten gaar laten worden. Laten afkoelen en in dikke plakken snijden.