Volgens de mythe – waarbij bierman overigens niet betwist dat dit ook zo zou kunnen geweest zijn, maar het blijft een mythisch verhaal – was het Michael Jackson die de bieren van ons land voor het eerst begon te beschrijven met een aangepast vocabularium van de Sommelier. Via hem zijn termen als koriander, anijs en sinaasappelschillen gemeengoed geworden in de betere bierbespreking en werden deze later uitgebreid met een veelvoud aan analogieën tussen biersmaken en bestaande en gekende smaken. Blijkbaar vinden veel bierkenners dit een accuraat instrument om biersmaken en geuren te vatten en te vertalen naar tekst, want tegenwoordig doen ze het vrijwel allemaal zo. Maar vooral bij de bierrecensies in de weekendbijlage van het Nieuwsblad bekruipt Bierman wel eens plaatsvervangende schaamte en het gevoel dat de boel redelijk ver aan het doorslagen is. Besprekingen van niet eens zo opmerkelijke bieren brengen termen voort als rook, rijpe banaan, gestikte jutte, ananas, vanille, komijn, citrus, kandij, kersen, maanzaad, meloen en turf. En dat zijn nog maar de voor de hand liggende stopwoordjes van de bierkenner. Soms zitten er echt wel obscure verwijzingen in als zilvergeur of esdoornhars (toegegeven, niet in het Nieuwsblad) waarbij elk voorstellingsvermogen tekort schiet. Waar halen die gasten dat? Bierman moet echt wel al veel gedronken hebben om dit soort dingen uit een bier te halen. Misschien dat de twaalfde Jupiler Tauro inderdaad in de neus naar gebloemde kamelenpis met een vleugje sinterklaaszweet ruikt en bij aanzet toetsen toont van platte confetti met een zweem van tomatenpuree met daarbij een duidelijk dragende ondertoon van pure ongesuikerde chocolade, terwijl de korte afdronk doet denken aan brandnetels in de late herfst. Maar Bier is toch geen wijn? Bij gegist druivensap – dat in wezen veel minder complex is - is inderdaad een woordenboek nodig om er nog wat variatie te krijgen. Daardoor ontstaat er meteen ook een elite van zelfverklaarde wijnkenners en de mogelijkheid om dure wijn te verkopen (omdat de elite er een fijn boeket in projecteert).
Bierblogger op jaren. Tegenwoordig ook te lezen in Dwars - het studentenblad van de UAntwerpen.
Amateur, Kenner, Brouwer
Volgens de mythe – waarbij bierman overigens niet betwist dat dit ook zo zou kunnen geweest zijn, maar het blijft een mythisch verhaal – was het Michael Jackson die de bieren van ons land voor het eerst begon te beschrijven met een aangepast vocabularium van de Sommelier. Via hem zijn termen als koriander, anijs en sinaasappelschillen gemeengoed geworden in de betere bierbespreking en werden deze later uitgebreid met een veelvoud aan analogieën tussen biersmaken en bestaande en gekende smaken. Blijkbaar vinden veel bierkenners dit een accuraat instrument om biersmaken en geuren te vatten en te vertalen naar tekst, want tegenwoordig doen ze het vrijwel allemaal zo. Maar vooral bij de bierrecensies in de weekendbijlage van het Nieuwsblad bekruipt Bierman wel eens plaatsvervangende schaamte en het gevoel dat de boel redelijk ver aan het doorslagen is. Besprekingen van niet eens zo opmerkelijke bieren brengen termen voort als rook, rijpe banaan, gestikte jutte, ananas, vanille, komijn, citrus, kandij, kersen, maanzaad, meloen en turf. En dat zijn nog maar de voor de hand liggende stopwoordjes van de bierkenner. Soms zitten er echt wel obscure verwijzingen in als zilvergeur of esdoornhars (toegegeven, niet in het Nieuwsblad) waarbij elk voorstellingsvermogen tekort schiet. Waar halen die gasten dat? Bierman moet echt wel al veel gedronken hebben om dit soort dingen uit een bier te halen. Misschien dat de twaalfde Jupiler Tauro inderdaad in de neus naar gebloemde kamelenpis met een vleugje sinterklaaszweet ruikt en bij aanzet toetsen toont van platte confetti met een zweem van tomatenpuree met daarbij een duidelijk dragende ondertoon van pure ongesuikerde chocolade, terwijl de korte afdronk doet denken aan brandnetels in de late herfst. Maar Bier is toch geen wijn? Bij gegist druivensap – dat in wezen veel minder complex is - is inderdaad een woordenboek nodig om er nog wat variatie te krijgen. Daardoor ontstaat er meteen ook een elite van zelfverklaarde wijnkenners en de mogelijkheid om dure wijn te verkopen (omdat de elite er een fijn boeket in projecteert).
Koolputter
Veel verwachtingen had bierman al bij al niet meer bij het nemen van zijn eerste slok koolputter bij het volgen van de laatste 40 kilometer van de Brabantse Pijl voor de televisie. Vreemd genoeg bleek het een bier te zijn zoals bierman ze graag drinkt. In het glas was de koolputter zo zwart als pasgedolven antraciet. De schuimkraag leek wel opgeklopt lichtbruin eiwit en in het flesje bleven genoeg gistvlokken achter om nadien nog cornflakes te bakken. Achteraf gezien is dit eigenlijk niet onlogisch natuurlijk. Het gaat tenslotte om een bier in de geest van de beste mijnwerkerstraditie en bij een mijnwerker die heel de dag onder de grond heeft gewerkt werkt een zacht aromatisch bier met vleugjes koriander of godbetert sinaasappelschillen in de neus waarschijnlijk meer op de lach- dan op de smaakspieren.
Bierman is met zijn kleinmannen ooit eens naar een mijnmuseum gegaan in Noord Frankrijk en bij die gelegenheid afgedaald in een mijnschacht. De begeleidende kompel startte uit educatieve overwegingen alle transportbanden, klopboormachines, pneumatische hamers, brekers, schuurders en ander materiaal even op waarbij de kinderen van het verschieten telkens angstig weggevluchtten in een of andere schacht met de handen op de oren. Bleek achteraf overigens dat heel de bedoening fake was en dat we niet onder de grond zaten, maar in een als koolmijn vermomde gang boven de grond. Niet echt, maar wel heel goed gedaan, net als de koolputter zelf. Een slok Koolputter is dan ook een goed gemaakte slok bruin bitter slijkwater van 10 graden dat vanachter in de mond nog wat bijschuimt. Het is een bier met véél mout en héél véél bitterheid (toegegeven: op het onevenwichtige af). Geen makkelijk terrasbier dus en zelfs geen moeilijk terrasbier. Meer is om vanachter in een hoek van het café na middernacht een gesprek te begeleiden waarvan bij voorkeur een kwart bestaat uit gevloek of gescheld.
Niet iedereen heeft een bek voor moeilijke smaken. Getuige hiervan een reactie op het www.ratebeer.com die ik u graag (en met enig leedvermaak) meegeef: “No head; fully hazy like a brushes-rincer. Woodstainer with prunes and glue and acetone or other ketones. UUGH. What is this? I can hardly swallow a sip. Rotting wood and medlars overdone, again ketones. MF: obviously dangerous for teeth and mucoses. De PROEF???? This tastes as a drink for Terry Pratchetts’ trolls at Ankh-Morpork.” Geef toe, een betere aanbeveling kan je als bier toch niet krijgen?
Pilaarbijter
Vorige week bracht iemand een bak pilaarbijter voor bierman; om samen op te drinken. Niet zomaar iemand natuurlijk. Wie een bak pilaarbijter meebrengt kan niet anders dan een goede vriend van bierman zijn. “Hier bierman”, sprak deze goede professor (dat was zijn beroep) onderwijl de bak met een redelijk luide plof op onze tegels neerzettend, “hier een bak Pilaarbijter. Laten we er meteen één drinken (waarmee hij één per persoon bedoelde)”. Pilaarbijter, dacht bierman bij zichzelf, komt dat tegen en omdat het toch al na de middag was dronk hij meteen zijn deel mee. Goede vrienden zijn tenslotte zeldzaam en vragen onderhoud.
In het najaar van 2005 organiseerde bierman een tweedaags seminarie rond de parochies in Vlaanderen in de Oude Abdij van Drongen met daarbij een delegatie van beleidsmensen vanuit elk Vlaams bisdom aanwezig. Bierman weet redelijk zeker dat kort daarvoor in zowat alle media de Pilaarbijter werd voorgesteld als officieel bier van het bisdom Brugge en dat de beleidsmens die daarmee de media haalde ook op de tweedaagse was. Een directe vraag van bierman – die dus niet in functie was - leverde bij die gelegenheid enkel een mysterieuze glimlach op. Op het einde van het (overigens erg vruchtbare) seminarie evenwel dronken de beleidsmens en bierman samen een pilaarbijter (waarmee bierman elk één bedoeld) en het mysterie van de glimlach was verklaard. U kan dit experiment ook thuis proberen. Daarmee is de Pilaarbijter dus al een kleine vijf jaar op de markt en drinkt bierman er regelmatig één (dat wil zeggen elk één) in gezelschap op de gezondheid van ons meest katholieke bisdom.
Het bier zelf heeft een stevige en vrij witte schuimkraag met bruisende gistplekken om te tonen dat het om een levend bier gaat. Een mooie grijsbruine kleur, zware pareling, milde smaak met gemiddelde alchoholtoets. Het is eigenlijk een compleet bier dat vooral ’s avonds tot zijn recht komt. Een Pilaarbijter is vooral een stevig argument om nog iets langer op het terras te blijven zitten ook al begint het frisjes te worden en willen de vrienden of collega’s naar huis. In die zin drinkt bierman de Pilaarbijter vaak om de boel af te sluiten: Als de avond gedaan is en de tafels in het café leeg zijn, als het weekend gaat beginnen en de collega’s beginnen door te gaan, als het weekend gedaan is en de tuin eindelijk proper ligt, als iedereen naar huis gaat na het trouwfeest, als de barbecue al bijna koud is en alleen in de verte nog wat rosse gloed van de zon te zien is, als de kinderen slapen, de vrouw de Flair leest en het raam nog open staat, … De brouwerij Bavik in Bavikhove deelgemeente van Harelbeke, brouwt ook nog Petrus, Ezel, Wittekerke, Bavik Pils en sinds kort ook Kwaremont Blond.
Pilaarbijter. Iemand die zich vastbijt in een pilaar – misschien om heiliger te worden dan de paus – maar zeker ook tegen de eenzaamheid en het vergeten. Nog één drinken om niet te vergeten en niet vergeten te worden. Waarmee bierman ten overvloede wil zeggen: nog elk één.