St. Ambrosius blond en bruin



Bierman was enige tijd geleden in de Grand Bazar, die tegenwoordig als het franse woord voor kruispunt door het leven moet. In alle eerlijkheid moet Bierman toegeven dan hij daar vooral was om zijn leeggoed in de automaat te steken, omdat hij met geen mogelijkheid kan onthouden in welke winkels hij al zijn bierflesjes bij elkaar heeft gesprokkeld en een automaat er nu eenmaal om bekend staat dat deze geen lastige vragen stelt, genre: “heeft u dit bier hier wel gekocht?”. U kent ongetwijfeld dit probleem, waarmee zowat elke rechtgeaarde bierliefhebber ten gezette tijde geconfronteerd placht te worden. Bij deze wil Bierman van de gelegenheid gebruik maken om zijn erkentelijkheid tegenover de “kruispunt” uit te drukken vanwege het feit dat ze aan de mensheid deze toch wel eerder waardevolle dienst willen bewijzen.

Binnen in de winkel stonden overigens de voor de hand liggende bieren mooi op een rijtje en na kilometers rayonruimte te hebben doorkruist, gevuld met multinationalderivaten (die daar natuurlijk recht op hebben omdat ze er tenslotte ook voor betalen), viel Biermans oog op een bier dat hij nog niet eerder was tegengekomen: St. Ambrosius. De spontane vreugde bij deze nieuwe ontdekking werd weliswaar redelijk snel getemperd door de vaststelling dat dit bier het nieuwe hooggegiste huismerk van voorgenoemd grootwarenhuis was, gekoppeld aan de ervaring dat gegiste huismerken doorgaans niet dezelfde kwaliteit bieden als pakweg de droge voeding. Edoch, ook het uitstekende Corsendonk (als Bierman’s geheugen hem niet in de steek laat), is ooit begonnen als Aldibier en bovendien heeft Bierman nu eenmaal een open en kritische geest, een stevig ontwikkelde nieuwsgierigheid en in dit specifieke geval ook een tegoedbonnetje van het ingeleverde leeggoed en dus besloot hij de sprong te wagen.

Vooreerst een kleine excursus: Wat bezielt iemand eigenlijk om een bier naar den Heiligen Ambrosius te noemen? Van de lessen theologie (meer bepaald patristiek) heeft Bierman onthouden dat het hier gaat over één van de vier grote Kerkvaders uit de Christelijke oudheid, naast Origenes, Hiëronimus en de onovertroffen Augustinus. Deze uit een stuk gehouwen oermensen hebben alvast die verdienste dat het uiterst boeiende figuren zijn, die leefden in een tijd waarin Christen zijn nog een redelijk heroïsche en subversieve daad was, waarin martelaren en vervolgingen schering en inslag waren, waarin het Christendom nog uit veelvoud van strekkingen (niet enkel de Roomse) en rijkdom aan ideeën bestond en waarin zelfs de canonisatie van het Nieuwe Testament nog onderweg was. Maar wie ligt daar vandaag nog wakker van?
Een paar oude handboeken leren verder nog dat Ambrosius, middels de gebruikelijke methode van vrije associatie, de patroonheilige van de Imkers was, alsmede auteur van enkele werken over ascese. Voor de volledigheid: het bier waarover het hier gaat is géén honingbier en ascese betekent … “in religieuze zin het streven naar beheersing of onderdrukking van natuurlijke behoeften om tot een vorm van reinheid te komen. Vasten en seksuele onthouding zijn in die zin vormen van ascese (danku wikipedia).” Hoewel hierover niets meer bekend is, bekruipt Bierman het gevoel dat Ambrosius het zich onthouden van bier en andere alcoholdragende derivaten ook wel tot die specifieke vorm van ascese zou rekenen, die hij zo hoog in het vaandel droeg. En daarmee moet de naam Ambrosius, mogelijkerwijs ingegeven door marketing en het verlangen om op een goedkope manier aansluiting te zoeken bij een oude religieus erfgoed, met voorsprong de meest fout gekozen biernaam zijn die vandaag op de markt is. Moest hij nog leven, hij draaide zich om in zijn graf.

Het is natuurlijk vervelend wanneer alle voor de hand liggende abdijen, ordes en religieuze bewegingen met een stamboom al bezet zijn of niet bereid zijn om hun naam aan een bier te koppelen, maar met een eenvoudige brainstorm moeten er zeker een geschikte nomenclatuur te vinden zijn die Blond, Bruin en Bier uitstraalt, al dan niet met de gewenste “kloosterkonnotatie” of "abdijassociatie".

U merkt dat Bierman hier al wat meer over Meneer Ambrosius verteld heeft en wat minder over het bier. Het bier van St. Ambrosius is dan eigenlijk ook niet zo lekker. Het wordt nochtans gebrouwen door Brasserie Du Bocq die met LaGaulloise en Saison Regal een paar zeer smakelijke bieren in het aanbod heeft. Maar de Blonde heeft een vlokkige, ingezakte smaak en Bruine heeft weliswaar een gebrande smaak, maar dan toch met een subtiele hint van dingen waarvoor een milieuvergunning nodig is om ze te verbanden. Er zit volgens Biermans bescheiden mening nog hier en daar iets fout in deze bieren. Maar natuurlijk kan u dit ook allemaal zelf ontdekken als u nog eens leeggoed wegbrengt naar de supermarkt. Danku Kruispunt.

De Historisch-Kritische methode in de Bierexegese


De verzamelde schare placht Bierman niet gespeend van enig onbegrip aan te staren wanneer deze wederom enig pseudo-wetenschappelijk vocabularium uitkraamt. Het moet niet altijd voor de hand liggend zijn, zo denkt Bierman bij dit soort gelegenheden, ook al gaat het maar om middelmatige tekstjes over een versterkende drank die in heel wat minder geïnformeerde hoofden het predicaat volks mag dragen. Ignorantia Crassa, zou Bierman bijvoorbeeld over dit laatste kunnen zeggen naar de mode van de tijd, met een mooie ethisch-theologische term. Want nogmaals, net als de rest van de beroepsbevolking, bezigt ook Bierman met graagte en zonder overdrijven een moeilijk woord, zoals hij bij gelegenheid ook met graagte een toastje met kaviaar zou bezigen, zo hij hiertoe de financiële armslag zou bezitten.

Tot vervelens toe werd Bierman tijdens zijn zeer degelijke theologische opleiding door eminente professoren gewezen op het belang van de historisch-kritische methode in de exegese. Een mening die Bierman graag deelde met zijn  weledel zeer gestrenge eerwaarde professoren, zo hij niet zelf bezig was met historisch kritisch onderzoek in de Theologische bibliotheek overdag, een soortgelijk onderzoek in de bierkelder van de faculteitsbar bij valavond en een bijkomend onderzoek naar de zich eveneens theologisch bij scholende meisjes ver na het vallen van de duisternis.

Het revolutionaire van de Historisch-kritische tekstkritiek, die tot ontwikkeling kwam op het einde van de 19e eeuw,  bestond erin om de problematische opvatting dat de teksten van de bijbel letterlijk en eenduidig te interpreteren waren aan te vullen met een ver doorgedreven navorsing van de exegese van dit soort teksten: hoe waren ze ontstaan en in welke context, wie heeft ze geschreven, wat was de oorspronkelijke brontekst en waar waren er fouten ingeslopen, wat is de vorm, het genre en de structuur van de tekst, enzovoort. Naast de literaire kritiek, als eerste van de Historisch-kritische methodes, ontwikkelde de exegese nog de vormkritiek, traditiekritiek en redactiekritiek. En al deze benaderingen hebben met elkaar gemeen dat ze diachroon zijn: ze bekijken de ontwikkeling van een tekst doorheen de tijd, met bijzondere aandacht voor de omstandigheden bij haar ontstaan, maar zonder aandacht voor de betekenis van de tekst vandaag. De diachrone exegese werd in een tweede beweging in de loop van de 20e eeuw aangevulde met een met synchrone benaderingen, waarbij de – inmiddels door de wetenschap uitgezuiverde – tekst op zich werd genomen en tegen een betekenisvolle actuele context werd gespiegeld. Er werd met andere woorden een betekenis aan gegeven. Voor een aantal Bijbelse verhalen bestaan er bijvoorbeeld erg creatieve structurele, psychoanalytische, materialistische, fundamentalistische en feministische lezingen, om er maar een paar van de meest populaire te noemen. Een van Biermans favorieten is nog steeds de bizarre Alchemistische lezing van het eerste scheppingsverhaal door Gottlieb Latz. Maar die was zijn tijd ver vooruit.

Enfin, genoeg gezeverd, het moet tenslotte plezant blijven en over bier gaan. Kijkend naar hoe aan bierkritiek wordt gedaan in de lage landen poneert Bierman graag de stelling dat er vooral synchroon wordt gewerkt. Het heersende synchrone interpretatiekader is dat van het proefjargon van de oenologie (volgens het alwetende wikipedia de wetenschap van de biochemische aspecten van wijnbereiding). Dat kader is niet zo beperkt als een marxistische lezing van de toren van babel of zo, maar toch blijft het vreemd dat net dit éne versleten kader al meer dan een halve eeuw mag standhouden. Volgens de legende was het Michael Jackson zelf dit synchronistisch paradigma in onze contreien plantte en daarmee het zieltogende bier redde van de ondergang omdat er eindelijk een taal ontstond om iets over de kwaliteiten van bier te zeggen dat de rest van de wereld ook kon verstaan. Of dat waar is weet Bierman niet, maar ondertussen is het Belgische bier echt wel al gered.

Naast dit wat vreemde overwicht van één beperkte vorm van synchrone bierkritiek, haalt het verlangen naar een meer diachrone benadering toch betrekkelijk vaak de overhand. Dit is bijvoorbeeld terug te vinden in talloze pleidooien voor meer informatie op de etiketten over brouwproces en recept (literaire kritiek / literair genre), boeken met classificaties van bieren (vormkritiek), een bloeiende cultuur van brouwerijbezoeken (sitz-im-leben), historische overzichtswerken (traditiekritiek) en zelfs een beperkte personencultus rond enkele van de meest markante brouwers of brouwfamilies (redactiekritiek). Allemaal interessante en relevante informatie die, zoals in de recente publicatie van Test Aankoop, bijna wetenschappelijk kan gepresenteerd worden. 

De grote beperking van een zuiver diachrone benadering bestaat er natuurlijk in dat dit soort oplijstingen letterlijk waardeloos zijn, waarmee Bierman alleen maar wil zeggen dat er geen waardeoordeel wordt uitgesproken. Om iets te kunnen zeggen over de kwaliteit van een bier is een minimum aan synchrone benadering nodig en dit oordeel zal steeds relatief zijn ten opzichte van het gekozen paradigma. Voor de volledigheid stelt Bierman op deze plaats nog maar eens de vraag die hem van bij het begin motiveerde om zelf over bier te beginnen schrijven: waarom oordeelt het heersende oenologische paradigma niet? Wat is de factor die dit tot een volstrekt steriele en bij momenten ronduit laffe aangelegenheid maakt? Hoe moeilijk is het om het ene bier een tien te geven en het andere een nul? Het blijft toch een relatief en subjectief verhaal en dat weet toch iedereen? Of denken zythologen (de tegenhangers van de oenologen, nomen est omen)   dat ze ad Urbi et Orbi spreken en dat ze de universele verklaring van de rechten van het bier moet respecteren telkens ze hun proefnotities wereldkundig maken? 

Nu ja, alle begin is moeilijk, ook na vijftig jaar bierkritiek. En dus zal Bierman het nog even voordoen: Op 10 punten: Duvel 10, Orval 9, Hoegaerden Grand Cru 8, Westmalle Dubbel 7, Kwak 6 (en 8 op café),   Leffe 3, Jupiler 2, St. Ambrosius 0. Hercule Stout 10 in de winter en 5 in de zomer, Timmermans Lambicus Blanche 10 in de zomer en 5 in de winter, enzovoor enzoverder. Plezant en niet moeilijk. Eindeloze variaties denkbaar, zeker als er bij verteld wordt waarom. Zeker zelf ook eens proberen.

Voor de volledigheid geeft Bierman u graag nog mee dat de Historisch Kritische methode haar onschatbare rol heeft gespeeld in de theologie. Maar het paradigma van de 21e eeuw is de narratieve (verhalende) theologie geworden. Tenslotte is alles een verhaal en naast mensen, zijn vooral bieren het vaak waard om verteld te worden. “Deze aanpak vermijdt de saaie abstractie…” zo zegt de bekende priester, theoloog en doctor in de moleculaire fysica Alister McGrath en “… verhaal betekent niet hetzelfde als verzonnen verhaal” (maar dat wist u al). Blijft natuurlijk de vraag wat er nu allemaal waar is van wat Bierman hier en elders verteld. Toevallig bestaat daar nog een goed verhaal over dat hij u bij gelegenheid met graagte uit de doeken zal doen.  Tot die tijd rest hem enkel het genoegen om u te feliciteren met het niet onverdienstelijke feit dat u tot het einde van deze tekst bent geraakt. Daarmee bent u ofwel een intellectueel, ofwel een massochist, ofwel iets anders met nog veel meer onvermoede lettergrepen.

Nello en Patrasche


Kolder en schimpscheuten zijn vanzelfsprekend een dankbaar medium om tekstjes op te leuken, maar diep van binnen is Bierman een ambitieuze mens die met graagte enige didactische wetenswaardigheden met zijn wat minder geïnformeerde tijdgenoten deelt. Niet dat aan Bierman een grote pedagoog is verloren gegaan, maar ergens koestert hij toch de illusie dat zijn woorden op een of andere manier de mensheid een weinig opstuwen in de vaart der volkeren, al was het maar de dikte van een bierkaartje. Vandaar dan ook dat het hem  een waar genoegen is om in wat volgt iets over Nello en Patrache te kunnen vertellen.

Nello’s blond en Patrache Dubbel zijn de namen die brouwer de Arend uit Hoboken (een gehucht van Antwerpen) aan twee opmerkelijke bieren heeft gegeven. De reden hiervoor zal vermoedelijk te vinden zijn in het feit dat deze twee figuren (één ervan is een hond) meer volk naar Antwerpen lokken dan het MAS en het Bouwcentrum samen. “Als al dat volk voor die twee gasten naar hier komt, dan drinken ze misschien ook een bier dat ik dezelfde naam heb gegeven”, zo hoort Bierman de ondernemende brouwer al denken, en gelijk heeft hij. Maar daarbij houdt het natuurlijk niet op, want zoals dat hoort bij alle goede namen, is ook aan deze twee een opmerkelijk verhaal verbonden. Een Engelse mevrouw schreef namelijk in volle Romantiek (1872) een boek waarin Nello en Patrasche opdraven als hoofdfiguren. In het geval van de hond valt dit overigens letterlijk te nemen aangezien deze vol overtuiging voor de toen gebruikelijke hondenkar wordt gespannen. De twee hoofdfiguren sterven verder nog voor een schilderij van Rubens in de kathedraal van Antwerpen na een leven vol miserie. Een leven overigens dat ons nuchtere Vlamingen eerder onbewogen laat, maar vooral in Japan en Amerika de harten der mensen heeft aangegrepen. En daarmee heeft dit boek alvast toch die verdienste dat Amerikanen en Japanners geen Rubens meer kunnen bekijken zonder aan een dode hond te denken (of zouden ze aan Rubens denken als ze een hond zien?).

Net als de rest van Vlaanderen laten dit soort bleitverhalen ook Bierman volledig koud. De dag moet nog geboren worden waarop Bierman zijn emoties – zo hij die al zou hebben - gaat projecteren op fictieve verhalen over stervende kinderen en hun nog veel meer vol menselijke emoties geprojecteerde dieren. Dat was in de 19e eeuw al goedkoop (voor de roman heette dit genre toen nog gewoon opera – waarbij het verhaal onverstaanbaar werd gezongen … afgewisseld met liederen…) en dat is het vandaag nog altijd. Daarvoor is er ook teveel echte miserie in de wereld. Maar over smaken valt niet te twisten en dus figureren Nello en Patrasche meer dan honderd jaar na datum niet enkel als romanfiguren, of in afgeleide vorm als hoofdpersonages van een gelijknamige tekenfilm, TV-serie en strip van Suske en Wiske, maar ook als betere toeristenval, als standbeeld ergens in Hoboken en als gedenkplaat voor de kathedraal van Antwerpen. Wie de optie ‘foto’s” aanklikt op google maps bij de locatie van deze twee belangrijke artefacten kan ze bekijken vanuit alle mogelijke hoeken en met Japanners en Amerikanen in alle mogelijke soorten, vormen en maten, en ja ook poses.

Over smaken valt ten tweede malen niet te twisten. Hoewel de brouwer in theorie alle redenen had om van zijn Nello's blond en Patrasche dubbel goedkope brol te maken, aangezien toeristen doorgaans geen terugkerende klanten zijn, heeft hij duidelijk niet voor de gemakkelijkste weg gekozen. Geen toeristenval dus, maar eerlijke, ambachtelijke bieren die de reputatie van Belgische Bieren in Japan en Amerika zeker geen oneer aandoen.
De Nello blond is een bier met veel dragende moutsmaak en duidelijk bovengemiddelde productiewaarden. De Patrasche Dubbel scoort zowaar nog een pak beter met een volledig palet aan bruine smaken en een aangenaam en goed geïntegreerde alcoholtoets. Goed gemaakte bieren met een verhaal, in dit geval zelfs een roman, zo heeft Bierman ze graag.

(Nog even vermelden dat Brouwerij de Arend pas sinds 2003 terug de draad van het brouwen opnam. De brouwerij was lange tijd enkel een gewone drankhandel en als Bierman het goed begrepen heeft werd er op de site in Hoboken nooit eerder gebrouwen, wel door dezelfde brouwfamilie van 1896 tot 1955 in Stekene.)