Café de Monk

In tegenstelling tot het algemeen aanvaarde misverstand blijkt niet Antwerpen, maar Brussel het centrum van het land en bij uitbreiding de wereld te vormen. Volgens de Antwerpenaren is hun stad natuurlijk wel groter en mooier en hebben ze in Antwerpen ook meer en betere voetbalploegen (die gewoon tijdelijk even niet hun maximale potentieel halen). Maar jammer genoeg volgt de rest van het land deze denkrichting niet helemaal door tot op het einde. Brussel ligt meer in het midden en dus mag Brussel de baas zijn. 

Overigens weet Bierman niet zeker of ander mensen er ook last van hebben, maar telkens hij weer eens enkele maanden niet in Brussel is geweest dan begint in zijn hoofd vooral de duistere kant van onze Nationale hoofdstad te overheersen. Zijn geestelijk oog ziet een sombere stad, versluierd in smog en communautaire perikelen, dichtgegroeid met Europese instellingen en lelijke betonbouw, lijdend aan typische grootstadkwalen als voorkankerende verkrotting en exuberante huurprijzen, een permanent verkeersinfarct en een Noord-Zuid verbinding die te smal is voor veel te veel overvolle treinen. Brussel is dat stuk land waarlangs de taalgrenzen afschampen, de voorstad van Parijs, de pispaal van London, de … enfin, u snapt het wel. De bange Belg in Biermans brein heeft het soms wat moeilijk om thuis te komen in een wereldstad. U kent het wel, het is weinigen gegeven om er zonder inspanning aan te ontsnappen. 

Edoch, als Bierman dan toch effectief nog eens op bezoek mag komen in Brussel, trekt dat duistere beeld  weer helemaal open als de frisse avondlucht na een zomeronweer. Elk bezoek aan Brussel is voor Bierman toch eerder een blij weerzien dan de gevreesde proverbiale ‘voyage au bout de la nuit’. Herman Brusselmans … ah nee, euh, … Johan Verminnen zong het al: ‘Mijn Brussel ik zit in je binnenzak’ en Rik Torfs vond een paar jaar geleden, toen hij nog politicus was en geen rector, dat politici uit hun isolement moesten kruipen en hun oor vaker te luisteren moesten leggen op plaatsen waar veel volk met een mening komt, in Brussel bijvoorbeeld in café “De Monk”, bakermat van het verlichte denken. Wat enkele kranten op het idee bracht om naar café de Monk te trekken om het volk naar haar mening te vragen. Allemaal erg vermakelijk, vooral omdat de mening van het Volk wel eens wat diepgang of structuur durft te ontbreken.

Vandaar dat ook Bierman afgelopen zomer plichtsgetrouw en vol vreugde en verwachting naar de binnenzak van de hoofdstad trok. Na even voor “De koning drinkt”  te hebben gestaan, het machtige barokke schilderij van Jacob Jordaens in het museum voor schone kunsten, besloot hij om zich wat te mengen onder de lokale bevolking; Meer bepaald het deel van de lokale bevolking dat Café de Monk frequenteert. Prof. Dr. Torfs heeft warempel niet overdreven, zo bleek al meteen bij het binnentreden, toen hij deze biertempel aanprees als kruipunt van kosmopolitische waarden en verheven idealen, die eloquent en bij tijden fijn ironiserend aan de man worden gebracht tussen pot en pint. Monk is een kroeg waar het voorwaar aangenaam toeven is en waar rustieke sfeer en inrichting inderdaad nog gepaard gaan met een erg gevarieerde en smakelijke bier-, kaas-, en charcuteriekaart. Over de ter plaatse gedegusteerde Bersalis Triple en het nieuwe Zinnebir zal Bierman u met veel plezier bij een volgende gelegenheid kond doen. Overigens zijn er in Antwerpen ook een paar parels van biercafé's te vinden, maar die werden voorlopig nog niet  door Rik Torfs persoonlijk aanbevolen. En dat is natuurlijk, laat ons eerlijk zijn, de enige referentie. 


Slaefke: Aughems Fluytjesbier

Wie ooit het genoegen heeft om op het dorpsplein van Zingem te vertoeven (een dorp dat overigens in tegenwoordige tijd geheel van brouwerijen verstoken is) kan een kleine steenworp verder naar het Westen al helemaal verdwalen in eeuwenoude Scheldpolders, zompige meersen en met riet dichtgegroeide kleiputvijvers waar al lang uitgestorven watergevogelte nog welig placht te tieren. Voor mensen uit overontwikkelde gebieden zal de openbaring dat de Schelde niet enkel door De Enige Ware Stad stroomt, maar ook langs dorp en polder meandert wellicht een openbaring zijn. Maar voor de gemiddelde Zingemnaar, deze generatiechristendemocraat met paard en kar, is de breed gedachte Schelde, ondanks de uitvinding van veerpont en later zelfs een indrukwekkende brug die wat vloekt met de lokale waterkiekens,  een grens die het dorp naar binnen keert en opsluit in zichzelf. Gavere, dat vreemde Oostenrijkse bergdorp dat net over de Schelde op de eerste uitloper van de Vlaamse Ardennen ligt, is een dreigende, torenende sprookjesstad waar scherpschietende burgemeesters en halfgare poppenspelers acteren in hun eigen Magisch-Realistisch universum.

Wie evenwel de veilige buik van Zingem dorp verlaat, kan via de steenweg op Kruishoutem zich een weg banen naar het oude karrenspoor dat de steden Gent en Oudenaarde met elkaar verbindt. Helaas zijn de verleidingen onderweg niet gering en menig Zingemnaar werd onderweg reeds verzwolgen zonder ooit nog een spoor achter te laten. Naast twee casino’s en een om mysterieuze redenen op ouderjaarsnacht afgebrande parenclub (Bierman ziet nog steeds de halfnaakte beteuterde en op copulatie beluste Duitsers langs de kant van de steenweg staan) is er in de straat ook een filiaal van een multinationale hamburgerketen die met een machtig lichtbaken de voorbijtrekkende stadsmensen en argeloze autochtonen in haar ingewanden trekt. Wie bovendien het lef zou hebben om iets te ver naar het Noorden af te dwalen kan ter plaatse stok stijf steendood gebliksemd worden door een extreem geval van ontaarde rotondekunst: de Scheldekoningin. Het betreft de tweede laureaat van een kunstwedstrijd (het eerste ontwerp, een visbak, bleek onuitvoerbaar) en stelt een fallus voor met de afmetingen van een kleine kerktoren die licht gebogen en druipend, als een obscene blok beige kunststof het failliet van het huwelijk tussen kunst en democratie bezegelt. Het is een Medusa van de Schelde, deze eenogige, halfopgerichte spuitkop, klaar om het vruchtbare warme zaad op de vette poldergrond te lozen zodat de boeren kunnen oogsten in overvloed. Het is een obsceniteit die koningin en fallus is tegelijkertijd en bijgevolg ook een extreme gepetrifieerde artistieke zelfbevruchting, vlek en baken in het landschap, blikvanger die mensen vol plaatsvervangende schaamte de blik doet afwenden. Maar Bierman dwaalt af.

Want wie er uiteindelijk in slaagt om tussen alle verlokkingen en gevaren te navigeren komt in het ingeslapen gehucht Ouwegem terecht, een onooglijk dorp met een groot hart voor bier.  Tijdens het Pinksterweekend gaat in Ouwegem namelijk niet enkel de jaarlijkse Trappistenloop door, maar worden aldaar ook steeds opnieuw de Fluitjesfeesten gevierd. Volgens de legende zou in de streek tijdens de middeleeuwen de katholieke bedelorde van de Allerheiligste Drie-eenheid actief zijn geweest (de Trinitariërs) om geld in te zamelen voor het vrijkopen van Christelijke slaven uit de handen van de Saracenen (Zou het eigenlijk toeval zijn dat de naam van deze orde net verwijst het belangrijkste theologische verschil tussen Christendom en Islam?). De mare wil dat bij het in stoet terugkeren van de verloste slaven hun komst al fluitend werd aangekondigd.

Vanuit deze erg mooie legende groeide het idee om het Slaefke te brouwen, een ‘Aughems Fluytjesbier’. De verhuisbrouwerij, die Bierman nog kent uit het eerste seizoen van Toernée Générale, stelde het recept op punt, maar tegenwoordig wordt het in wat grotere hoeveelheden gebrouwen in St. Canarus in Gottem. De belangrijkste kenmerken van het bier zijn de ronduit indrukwekkende hoeveelheid informatie op het etiket en de nummering van de opeenvolgende brouwprocessen. Het bier zelf is een wat generieke Tripel van 7,5%, met een dorstlessende bitterheid. Het is een mooi, streekeigen bier dat uitnodigt om met vrienden genuttigd te worden (of voor wie geen vrienden heeft: bij een stuk kaas en een boterham). En wie zich volgend jaar met Pinksteren tussen Gent en Oudenaarde beweegt, schipperend tussen Scylla en Charybdis, kan zich halfweg laven aan dit legendarische bier. Gewoon aan de McDonnalds naar rechts. 

Dakota 15 W

Een van de bekendste en meest gewaardeerde onderdelen van het Belgische leger, toch zeker het stuk dat altijd in het nieuws komt, is de 15e Wing Luchttransport. Ook wel het 15de Vervoers- en Verbindingswing genaamd en herkenbaar aan het iconische logo van de Sioux-Chef. Het is een stuk leger dat Bierman zich vooral herinnert van de paletten met graan die uit laagvliegende C-130 Hercules vliegtuigen werden gedropt tijdens de grote hongersnood in Etiopië in 1984 en die bij impact op de kapotgeroosterde woestijnklei in grote stofwolken uiteen splinterden. Of er effectief mensen geholpen werden met deze, toch eerder extreme variant, van de klassieke voedselhulp zou Bierman niet kunnen zeggen, maar voor een achtjarige waren het alvast indrukwekkende beelden. Overigens was de 15e Wing op dat moment al een paar decennia bezig met het redden en transporteren van al dan niet militair personeel en materieel, waarbij vooral de C-130 een schier legendarische reputatie heeft verworven (in 2018 zullen ze overigens vervangen door de veel minder tot de verbeelding sprekende Airbus). De C-130 Hercules doet zowat al het andere vliegend materiaal van de 15e Wing verbleken tot weinig tot generieke vliegende varia in de lucht (de Falcon voor rijk en belangrijk volk, de Airbus voor veel volk, enz…). 

Even legendarisch, maar al lang niet meer in dienst, is de DC-3 (C-47), die Bierman dan weer kent uit Films van Indiana Jones en bij uitbreiding zowat elke andere avonturenfilm die zich halfweg de vorige eeuw afspeelt. Naar het schijnt vlogen ze ook de Berlijnse luchtbrug tijdens de koude oorlog en de Belgen vlogen er regelmatig mee naar Kongo en terug toen het koloniaal verleden nog geen verleden was. Van dit iconische vliegtuig (ook wel de ‘Dakota’ genaamd) had het vaderlandse leger enkele exemplaren in dienst en één daarvan staat gerestaureerd en wel in het Dakota Museum van de 15e Wing in Melsbroek. Dit museum is overigens een echte aanrader en het is elke maandag en donderdagnamiddag te bezoeken, zo Bierman met deze beknopte inleiding in de 15e Wing uw vliegeniershart heeft doen ontwaken. 

Hoewel alcohol en vliegtuigen besturen best niet gelijktijdig voorkomen, kan Bierman zich wel voorstellen dat tussen twee dorstige missies in zwartgeblakerde Sahellanden of na urenlang sleutelen in aan vliegend materieel in een of andere uitgeregende loods een verfrissend bier meer dan welkom is. Voor die gelegenheid hebben ze bij de 15e Wing twee bieren laten brouwen in ‘La Binchoise’ en ze waarschijnlijk nog met de C-130 gaan ophalen ook: de Dakota 15W Blond en bruin. Volgens het etiket gaat het om artisanaal bier met nagisting op de fles van respectievelijk 7,5 en 6,8 % alcohol. Hoewel de keuze voor La Binchoise opmerkelijk is in het “proefbrouwerij van Lochristi” tijdperk, is de Dakota volgens de mensen van Melsbroek toch geen  etiketbier, maar wordt het wel degelijk speciaal voor de gelegenheid gebrouwen. Wie echt zeker wil zijn kan hiervoor altijd eens naar Binche bellen, of beter nog: gaan. Verder smaakt de blonde Dakota erg lekker maar weinig opmerkelijk, zoals een ietwat anonieme tripel moet smaken. De Bruine variant heeft verassend weinig mout en doet daardoor wat denken aan een veel meer evenwichtige variant van het Bolivar bier van de Wereldwinkel. En daarmee mogen deze bieren alvast zonder blozen naast hun naamgevende vliegtuig staan. Beiden beloven ze verhalen over legendarische machines, onverschrokken piloten en bloedstollende avonturen, wat wil een mens nog meer. Leve de luchtmacht!