Nomenclatuur

In het tweede hoofdstuk van de bijbel klink het: “dat de mens namen heeft gegeven aan al het vee, alle vogels en alle wilde dieren” en misschien was dat wel al meteen het moment waarop we vol schande het paradijs hadden moeten verlaten. Dat geval met die appel dat daarna kwam, was eigenlijk gewoon het onvermijdelijke gevolg van deze totaal misgelopen nomenclatuur. Wie een dier een dwaze naam als ‘Slang’ geeft, moet misschien niet verbaasd zijn wanneer dat beest vervolgens een kosmisch complot bedenkt om de voltallige mensheid in een afgrond van lijden en dood te storten.

Dit alles maar op te ze zeggen dat het altijd al een bijzondere ergernis van Bierman is geweest dat alles al een naam heeft en dat een groot deel van die namen dwaas klinkt. Centraal in dit kosmische drama staat natuurlijk de ingreep van een paar zatte geleerden om de planeten van ons zonnestelsel naar de Romeinse goden te noemen. Wie niets beter kan bedenken dan de gigantische gasbollen die het lot van ons zonnestelsel bepaald hebben Jupiter en Saturnus noemen heeft “saai” op het voorhoofd geschreven in een dozijn niet bestaande talen. Dan is H.P. Lovecraft nog net iets creatiever geweest met namen voor planeten als Yuggoth of Chag-Hai, thuisplaneet van de worm die knaagt in de nacht. Helaas was Lovecraft niet in de buurt toen de wetenschap faalde.

Veder zijn er bergen die doodgewoon Blanc of zelfs hoogmoedig Everest heten en mogen we blij zijn dat vogels geen rechtspersoonlijkheid hebben want anders kregen we zeker een proces aan onze broek van een Wulp of een Fuut wegens tergende en roekeloze naamgeving. Het feit dat dinosaurussen gaan lopen zijn met Tyrannosaursus en Diplodocus is nog geen reden om hun evolutionaire opvolgers te kleineren met namen als Baardmannetje, Poelruiter of Lepelaar. De Wielewaal zingt niet, maar jankt stilletjes in zichzelf om zoveel ellende.

Omdat het ook over bier moet gaan geeft Bierman nog mee dat Cara beter klinkt dan Jupiler en daarom onvermijdelijk de wereld zal veroveren, terwijl Jupiler nooit meer dan een boerengat in de Wallonië zal blijven. We moeten daar niet moeilijk over doen, dat leert de Bijbel.

Ook de trend om bieren te vernoemen naar abdijen lijkt nu wel definitief voorbij is. De goeie kloosters zijn allemaal in gebruik en Dienstmaagd van de Zaligmaker Tripel of Dubbele Missionaris van het Goddelijk Woord klinkt blijkbaar toch niet vermarktbaar genoeg. En dus heeft de nomenclatuur van onze bieren vandaag de huwelijkse banden tussen godsdienst en commercie verbroken voor een onheilig pact tussen populaire cultuur en persoonlijke interesse van de brouwer. Soms levert dat wat op zoals bij de Koekedam, Smeerolie of Homo Beerectus. Soms is de Bijbel weer helemaal terug met namen als de Zingende Blondine  of Schoenlappertje (10% van onze bierentitels is een verkleinwoord. Verkleinwoorden maken nooit iets beter). En daarmee heeft u, beste lezer, alweer wat om over te praten bij uw volgende bezoek aan het café.

Cesar

Naar het schijnt bestaat er een schilderij van een Belgische surrealist waarop een pijp staat afgebeeld en daaronder de droge mededeling dat dit het geen pijp is. Dat laatste overigens in het Frans, een taal waarin het altijd al lastig is om zich correct uit te drukken en een brood bestellen bij de bakker klinkt als het voordragen van een sonnet. De schilder van dit doek heet Renée Magritte en deze wordt gezien als het hoogtepunt van het Belgisch surrealisme, hierin slechts geëvenaard door Paul Delvaux en diens preoccupatie met treinen die nergens naar toe gaan (en misschien ook door het Vlaams parlement dat ook nooit ergens naar toe gaat). Dat is allemaal onzin natuurlijk. De grootste surrealist van ons wonderbaarlijk patattenland is Linthout, de tekenaar en voornaamste scenarist van de iconische Urbanusstrips.

Magritte is er tijdens zijn leven met moeite in geslaagd om een handvol kaders te vullen met slecht geplaatste appels en pseudo-intellectuele bijschriften bij dingen die objectief gewoon wél een pijp zijn. Linthout daarentegen zit ondertussen aan een kleine 200 volledige stripboeken waarin elk tweede prentje een surrealistische grap is. Zijn strips worden bevolkt door iconische figuren als de sloor Eufrazie. Jef Patat die samen met Eddy Wally een pretpark start. God de vader en dienst mislukte poging om schepping af te schaffen om van de miserie met Urbanus vanaf te zijn. Al ne keer gebezigd waspoeder op Uranus (eigenlijk Urbanus, maar de B is ingeslikt door de navel van de planeet). Het boerke dat botst met zijn strontkar en in tranen uitroept dat hij een heel jaar voor niks gekakt heeft. Urbanus die een bal van het Atomium vult met radioactief afval en in het oog van Janneke Maan schiet. Het is maar een kleine greep uit wat onze grootste surrealist in enkele luttele jaren bij elkaar heeft geschraapt. Linthout is geen mens, maar een onuitputtelijke bron van creativiteit, volkstaal en dorpsverhalen, humor en bovenal surrealisme van een bovenmenselijk niveau.

De schaarse strips overigens waarin Linthout het niet over Urbanus heeft, maar heel persoonlijk over zijn dementerende moeder of de zelfmoord van zijn zoon, tonen dat zonder humor een dragende grond van rauw talent en ongefilterde emotie bloot komt te liggen die bij momenten beenhard inhakt op de lezer. Deze man is een grootmeester in het surrealisme die zich verschuilt achter de onverwachte kwinkslag. De deprimerende plekken van Paul Delvaux met wat vage schimmen in een lelijk station zijn in vergelijking met deze beeldende overvloed eigenlijk wat gênant en de moeite doen om een pijp te schilderen en toch ook weer niet: het is misschien de geboorteplaats van het surrealisme, maar tegelijk zeker ook het kerkhof ervan. 

In een van de strips van Urbanus krabt Cesar, de alcoholische vader van Urbanus, de schimmel van de muur om bier mee te brouwen. Cesar is uiteindelijk ook de naam van het bier dat Bierman hier graag wil bespreken. Het bier smaakt naar bier laat dat duidelijk zijn, maar om de iconische woorden van onze tweede grootste surrealist te parafraseren: “dit is géén bier”. Dit is Linthout wiens creaties gul overvloeien in de realiteit. 

Cum Laude

Al enkele jaren levert Bierman gratuit commentaar bij de wondere wereld van het Bier en alles wat er daar zoal bij komt kijken en dat zal - als God het belieft - het komende jaar dus ook weer het geval zijn in ons huiseigen studentenblad Dwars. Een pedagogische agenda is hem daarbij niet helemaal vreemd, omdat bij studenten het hardnekkige misverstand leeft dat het consumeren van grote hoeveelheden middelmatig pilsener bier wijst op een rijk inwendige leven alsmede op buitengewone karaktereigenschappen van de beoefenaar dan deze praktijk. Om iedereen veel miserie, plaatsvervangende schaamte en spijt achteraf te besparen verklapt Bierman bij deze gewoon op voorhand dat er drie niveau’s van bierdrinkende studenten bestaan: 

In de eerste plaats zijn dit natuurlijk de idioten die effectief veel drinken en zich daarbij een imaginair publiek vol anonieme bewonderaars en smachtende blikken van een nieuwe betekenisvolle ander voorstellen. In de meeste gevallen zijn dit studenten die eigenlijk in een overgangsstadium zitten naar het volgende niveau, hoewel sommigen daar om één of andere reden erg lang in blijven hangen. Zoals gezegd is het de pedagogische doelstelling van Bierman om abituriënten en andere welgekomen nieuwlichters aan deze gezegende instelling dit voor iedereen wat gênante misverstand te besparen. 

Op het tweede niveau zitten de studenten die er net als Bierman in slagen om vrij behoorlijk te slempen. Het slempen is een specifieke bierdrinktechniek waarbij  het grootste deel van het bier niet doorgeslikt wordt, maar op verschillende andere manieren kan wegvloeien (tafel, grond, medestudenten en het eigen lichaam komen het meest voor, maar andere mogelijkheden zijn legio). Hierdoor ontstaat de illusie van kwantitatief hoge consumptie, zonder daar de gebruikelijke fysieke of psychische ongemakken bij te ervaren. Een idioot die het slempen ontdekt lijkt een weinig op de Boeddha die de verlichting bereikt, maar dan helemaal anders.

Op het derde niveau bevinden zich de bierliefhebbers die goed gebrouwen speciaalbieren met mate en onder vrienden degusteren. Net als de filosofie, mogen de teksten van Bierman gezien worden als ladders om dit hogere niveau te bereiken. Ladders die daarna gerust mogen weggegooid worden.

Helaas heeft Bierman door alle bovenstaande onzin deze keer enkel nog plaats voor een kleine trapladder: Als nieuwe studenten aan de Universiteit Antwerpen is het belangrijk om te weten dat we hier sinds enkele jaren een huiseigen degustatiebier hebben dat luistert naar de naam Cum Laude (Latijn voor afstuderen met onderscheiding) en dat gebrouwen wordt door twee uiterst sympathieke alumni economie en hun eigen brouwerij: de “Inglorious Brew Stars” (Ze zijn ook fan van Quentin Tarantino en diens holderdebolderfilm over buitenechtelijke kinderen en boosaardige Duitsers).

 Cum Laude Blauw (een verwijzing naar de kleur van het etiket) is de blonde versie en toont volgens kenners toetsen van passievrucht, mango en pompelmoes. Bierman heeft altijd wat argwaan gehad tegenover kenners die over pompelmoezen beginnen, maar wat wel onmiskenbaar vaststaat is dat het bier naar de overheersende mode van de tijd stevig door- en drooggehopt is en dat de bitterheid bijgevolg zeer sterk overheerst. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn en maakt het alvast tot een tof bier om bijvoorbeeld op een receptie te drinken. Ondertussen is er ook een bruine variant, de Cum Laude Rood, die wat minder naar een fruitmand smaakt en meer naar een kruidenrek, maar zeker ook een fijn bier is om bij de talrijke feestelijke gelegenheden op onze universiteit te ontdekken. 

Rest Bierman u nog een gezegend academiejaar toe te wensen vol vriendschap, vakkundige slempartijen, passie en vrucht en de mangosmaak van een proclamatie Cum Laude!