Sint Hubertus: Winter is canceled

Als het buiten stenen uit de grond vriest smijten onze brouwers traditioneel de argeloze consument om de oren met wat meer alcoholische Kerst- en winterbieren. Dit alles natuurlijk om lichaam en geest wat te verwarmen en mogelijk ook om meer bier te kunnen verkopen. Helaas zijn er geen winters meer nu de klimaatopwarming zich op gang heeft getrokken. De bomen zijn wel wat kaler en het is nat, donker en kou. Maar het regent altijd teveel, het is niet koud genoeg om de kou te kunnen verbijten en gele xenonlampen drenken onze triestige lintbebouwing in een permanente sluier van mistige pis. Kortom: de winter is dood en van maart tot oktober is het herfst in ons land. Jozef en Maria moeten tegenwoordig blaren harken rond de Kerststal.

Een mens lijkt niet gemaakt om in dit soort eeuwigdurende overgangstijd te leven. Gelukkig kunnen we nog consumeren en zijn er dus die winterbieren om met wat alcohol de bittere beet van het spleen even weg te nemen (en natuurlijk het kind in de kribbe dat een boodschap van vrede brengt, maar niet iedereen is nog helemaal mee met dat verhaal). Herfst dus: het is voorlopig de enige duidelijke winnaar van de klimaatcrisis en tegelijk een van de woorden waar geen rijmwoord voor bestaat. Wie van nature wat neerslachtig is zal dit als een teleurstelling ervaren, maar heel wat grote dichters zien dit soort zaken meer als een uitdaging. Bierman citeert daarom met enig genoegen de versregels van de onovertroffen Drs. P. De eerste die doorhad dat winter gecanceled is:

De buren waren grimmig, zijn ouders diep gegriefd.
En onder zijn collega’s was hij ook al niet geliefd.
De oude juffrouw Zomer, baas Voorjaar, meester Herfst.
Ze riepen driewerf schande, juffrouw Zomer het driewerfst.

Verder is herfst bij uitstek ook het jachtseizoen. De tijd waarin menig melancholicus de tweeloop bovenhaalt om zijn weltschmertz te desublimeren tot een hagelschot in de pels van een konijntje of in de borst van een Edelhert. Bierman heeft de ervaring dat het uitspuwen van bolletjes lood bij het eten van hazenpeper of hertenfilet hem nogal brutaal herinnert aan zijn eigen sterfelijkheid, wat niet per definitie onaangenaam hoeft de zijn. Ironisch genoeg is Sint Hubertus, de man die gestraft werd omdat hij het aandurfde om op Goede Vrijdag te gaan jagen, uitgegroeid tot de patroonheilige van de jacht en bijgevolg ook het gezicht van de herfst. Het was dan ook niet meer dan logisch dat enkele jaren geleden een bier met deze naam werd ontworpen in een Ardens industriepark. Opmerkelijk genoeg geen donkere en zware bieren, maar een ambere variant en een tripel. Het klopt inderdaad dat heel wat wildgerechten beter tot hun recht komen naast goed gekruide blonde bieren en deze Sint Hubertusbieren slagen daar bijzonder goed in.

Rest Bierman nog op te merken dat het wetenschappelijk bewezen is dat eten van hertenragout, fazantenpastij en ander vlees de duur van de Herfst nog zal verlengen zodat Sint Hubertus het hele jaar gevierd en zijn bier het hele jaar gedronken kan worden. We zullen eraan moeten wennen.

Nomenclatuur

In het tweede hoofdstuk van de bijbel klink het: “dat de mens namen heeft gegeven aan al het vee, alle vogels en alle wilde dieren” en misschien was dat wel al meteen het moment waarop we vol schande het paradijs hadden moeten verlaten. Dat geval met die appel dat daarna kwam, was eigenlijk gewoon het onvermijdelijke gevolg van deze totaal misgelopen nomenclatuur. Wie een dier een dwaze naam als ‘Slang’ geeft, moet misschien niet verbaasd zijn wanneer dat beest vervolgens een kosmisch complot bedenkt om de voltallige mensheid in een afgrond van lijden en dood te storten.

Dit alles maar op te ze zeggen dat het altijd al een bijzondere ergernis van Bierman is geweest dat alles al een naam heeft en dat een groot deel van die namen dwaas klinkt. Centraal in dit kosmische drama staat natuurlijk de ingreep van een paar zatte geleerden om de planeten van ons zonnestelsel naar de Romeinse goden te noemen. Wie niets beter kan bedenken dan de gigantische gasbollen die het lot van ons zonnestelsel bepaald hebben Jupiter en Saturnus noemen heeft “saai” op het voorhoofd geschreven in een dozijn niet bestaande talen. Dan is H.P. Lovecraft nog net iets creatiever geweest met namen voor planeten als Yuggoth of Chag-Hai, thuisplaneet van de worm die knaagt in de nacht. Helaas was Lovecraft niet in de buurt toen de wetenschap faalde.

Veder zijn er bergen die doodgewoon Blanc of zelfs hoogmoedig Everest heten en mogen we blij zijn dat vogels geen rechtspersoonlijkheid hebben want anders kregen we zeker een proces aan onze broek van een Wulp of een Fuut wegens tergende en roekeloze naamgeving. Het feit dat dinosaurussen gaan lopen zijn met Tyrannosaursus en Diplodocus is nog geen reden om hun evolutionaire opvolgers te kleineren met namen als Baardmannetje, Poelruiter of Lepelaar. De Wielewaal zingt niet, maar jankt stilletjes in zichzelf om zoveel ellende.

Omdat het ook over bier moet gaan geeft Bierman nog mee dat Cara beter klinkt dan Jupiler en daarom onvermijdelijk de wereld zal veroveren, terwijl Jupiler nooit meer dan een boerengat in de Wallonië zal blijven. We moeten daar niet moeilijk over doen, dat leert de Bijbel.

Ook de trend om bieren te vernoemen naar abdijen lijkt nu wel definitief voorbij is. De goeie kloosters zijn allemaal in gebruik en Dienstmaagd van de Zaligmaker Tripel of Dubbele Missionaris van het Goddelijk Woord klinkt blijkbaar toch niet vermarktbaar genoeg. En dus heeft de nomenclatuur van onze bieren vandaag de huwelijkse banden tussen godsdienst en commercie verbroken voor een onheilig pact tussen populaire cultuur en persoonlijke interesse van de brouwer. Soms levert dat wat op zoals bij de Koekedam, Smeerolie of Homo Beerectus. Soms is de Bijbel weer helemaal terug met namen als de Zingende Blondine  of Schoenlappertje (10% van onze bierentitels is een verkleinwoord. Verkleinwoorden maken nooit iets beter). En daarmee heeft u, beste lezer, alweer wat om over te praten bij uw volgende bezoek aan het café.

Cesar

Naar het schijnt bestaat er een schilderij van een Belgische surrealist waarop een pijp staat afgebeeld en daaronder de droge mededeling dat dit het geen pijp is. Dat laatste overigens in het Frans, een taal waarin het altijd al lastig is om zich correct uit te drukken en een brood bestellen bij de bakker klinkt als het voordragen van een sonnet. De schilder van dit doek heet Renée Magritte en deze wordt gezien als het hoogtepunt van het Belgisch surrealisme, hierin slechts geëvenaard door Paul Delvaux en diens preoccupatie met treinen die nergens naar toe gaan (en misschien ook door het Vlaams parlement dat ook nooit ergens naar toe gaat). Dat is allemaal onzin natuurlijk. De grootste surrealist van ons wonderbaarlijk patattenland is Linthout, de tekenaar en voornaamste scenarist van de iconische Urbanusstrips.

Magritte is er tijdens zijn leven met moeite in geslaagd om een handvol kaders te vullen met slecht geplaatste appels en pseudo-intellectuele bijschriften bij dingen die objectief gewoon wél een pijp zijn. Linthout daarentegen zit ondertussen aan een kleine 200 volledige stripboeken waarin elk tweede prentje een surrealistische grap is. Zijn strips worden bevolkt door iconische figuren als de sloor Eufrazie. Jef Patat die samen met Eddy Wally een pretpark start. God de vader en dienst mislukte poging om schepping af te schaffen om van de miserie met Urbanus vanaf te zijn. Al ne keer gebezigd waspoeder op Uranus (eigenlijk Urbanus, maar de B is ingeslikt door de navel van de planeet). Het boerke dat botst met zijn strontkar en in tranen uitroept dat hij een heel jaar voor niks gekakt heeft. Urbanus die een bal van het Atomium vult met radioactief afval en in het oog van Janneke Maan schiet. Het is maar een kleine greep uit wat onze grootste surrealist in enkele luttele jaren bij elkaar heeft geschraapt. Linthout is geen mens, maar een onuitputtelijke bron van creativiteit, volkstaal en dorpsverhalen, humor en bovenal surrealisme van een bovenmenselijk niveau.

De schaarse strips overigens waarin Linthout het niet over Urbanus heeft, maar heel persoonlijk over zijn dementerende moeder of de zelfmoord van zijn zoon, tonen dat zonder humor een dragende grond van rauw talent en ongefilterde emotie bloot komt te liggen die bij momenten beenhard inhakt op de lezer. Deze man is een grootmeester in het surrealisme die zich verschuilt achter de onverwachte kwinkslag. De deprimerende plekken van Paul Delvaux met wat vage schimmen in een lelijk station zijn in vergelijking met deze beeldende overvloed eigenlijk wat gênant en de moeite doen om een pijp te schilderen en toch ook weer niet: het is misschien de geboorteplaats van het surrealisme, maar tegelijk zeker ook het kerkhof ervan. 

In een van de strips van Urbanus krabt Cesar, de alcoholische vader van Urbanus, de schimmel van de muur om bier mee te brouwen. Cesar is uiteindelijk ook de naam van het bier dat Bierman hier graag wil bespreken. Het bier smaakt naar bier laat dat duidelijk zijn, maar om de iconische woorden van onze tweede grootste surrealist te parafraseren: “dit is géén bier”. Dit is Linthout wiens creaties gul overvloeien in de realiteit.