Antwerpse stadsbrouwerijen

Wie zich verplaatst tussen de verschillende campussen van  Universiteit Antwerpen zal zich mogelijk verwonderen over de enorme hoeveelheid woningen, winkels en cafés die men daar kan aantreffen, alsmede de grootste containerhaven van Europa. Een stad met grootstedelijke kenmerken zou onze rector met enige academische nuance over deze Scheldebocht zeggen. ‘De Metropool’ zeggen de Antwerpenaren zelf, in de volstrekte zekerheid dat bescheidenheid als begrip wel bestaat maar slechts zijdelings op hen betrekking heeft, bijvoorbeeld als iets waar de Antwerpenaar beter in is dan de rest van het land.

Niet geheel toevallig heeft de beste stad van de wereld met de Koninck en Seef meteen ook twee van de beste bieren ter wereld in huis. Dit is gebleken uit een onderzoek van de Universiteit Antwerpen uit 2018  waarin aan alle Antwerpenaars uit heel de wereld werd gevraagd welke bieren het beste zijn. De Koninck en Seef kwamen daarbij als beste naar voren op de voet gevolgd door ‘Andere bieren’. De relaties tussen de stad en de universiteit zijn sinds dit onderzoek overigens sterk verbeterd. Naar het schijnt hangen in café den Engel tegenwoordig zelfs professoren en lokale politici samen aan de toog na de gemeenteraad terwijl ze pindanootjes in elkaars mond werpen. Het onderzoek zelf is helaas in de recente brand op de stadscampus verloren gegaan, maar de resultaten worden door niemand openlijk betwist. 

Rest Bierman nog om iets over deze bieren zelf te vertellen. De Koninck is een helder amberkleurig bier in Engelse stijl. Het is een smakelijk en verfrissend bier dat gul geschonken en dorstig gedronken wordt. De inmiddels met uitsterven bedreigde naoorlogse gewoontedrinkers hebben in de Antwerpse vokscafés ontelbare bollekes Koninck naar binnen gegoten. Tegenwoordig is het wat minder populair, maar niets roept meer de sfeer op van het bruisende Antwerpen uit de jaren ’70 en ’80 dan een goed getapte Koninck.

Seef is dan weer het oude bier uit de Antwerpse Seefhoek, de volkswijk achter het Sint-Jansplein waar ook Students on stage voor de stadscampus elk jaar doorgaat. Het is een prachtig blond bier met een plezante kruidige smaak dat zich verheft boven de middelmaat door een ongefilterde, bijna melkachtige, troebelheid. Troebele bieren durven wel eens wrang of plakkerig uit te vallen, maar daar is niets van terug te vinden in Seefbier. Het bier wordt in heel Antwerpen geschonken in stevige rechte glazen, wat toch een heel ander handgevoel geeft dan de ronde vormen van de Koninck.

Een eervolle vermelding is er nog voor Cabardouche, het bier van de gelijknamige brouwerij aan de Singel in Borgerhout. Zeker eens binnenspringen in het bijhorende café als je toevallig die kant uit zou moeten. En tenslotte heeft Bierman ook nog een in memoriam veil voor De Zwarte Sinjoor en den Bangelijke.  Dit waren de bieren van brouwerij ’t Pakhuis op de Vlaamse Kaai. Helaas hebben deze de afgelopen coronacrisis niet overleefd en is de locatie nu een visrestaurant waar in de oude installaties wel nog een huiseigen pils wordt gebrouwen. Mogelijk gaat dit laatste wel het budget van een gemiddelde student te boven, maar een echte Antwerpse studenten laat zich door dit soort details niet tegenhouden.

Seef of Koninck, Koninck of Seef. Wat u ook drinkt, beste student, geniet van de smaak en geniet met volle teugen van het leven, maar stem de consumptie af op het feit dat in De Metropool een half miljoen mensen op een kleine ruimte met elkaar moeten samenleven. Van het reduceren van deze twee prachtige bieren (en bij uitbreiding alles wat onder de categorie andere bieren valt), tot eenvoudige dragers van alcohol is nog nooit iemand beter geworden.  

 

 

Den Ingenieur: Zelfgebrouwen

In momenten van vertwijfeling – dus eigenlijk alleen maar wanneer hij ‘s nachts van café De Zwaan richting de Salamander slentert - durft Bierman zich wel eens af te vragen wat het verband is tussen de naam van een bier en datgene wat effectief in de fles zit. Zitten er met andere woorden meer paters en abdijen in een Westvleteren Abt dan in een Straffe Hendrik Quadruppel of kunnen rechtschapen mensen wel Duvel drinken zonder het kwaad te banaliseren? Dichter bij een existentiële crisis is Bierman vooralsnog niet gekomen, aangezien de weg tussen De Zwaan en de Salamander langs het Telefoneke gaat. Bierman gaat daar nogal makkelijk binnen voor een fris glas bier en wat vers gesneden fritten en vergeet dan al snel wat hem even daarvoor nog ten dode bedroefde. Maar het hakt wel in zolang het duurt, dit soort vragen onderweg. Zo moeten mensen zonder geloof zich dus voelen.

 Dat brengt Bierman bij de vaststelling dat steeds meer studentenclubs hun eigen bier beginnen te maken. Zit die club dan mee in de fles? Kapitalisme vereist dat een brouwer bier maakt, daar een naam op plakt die al dan niet verband houdt met waar en wanneer het bier is ontstaan en deze vervolgens aan bierdrinkende medemensen verkoopt. Zelfgebrouwen betekent dat studentenclubs een uniek recept “zelf” laten brouwen in een speciaal daartoe ontworpen brouwerij omwille van het voorrecht om hun eigen naam op de fles te zien verschijnen. De kans dat dit soort bieren beter dan middelmatig uitvallen, is even groot als de kans om een meerkeuzenexamen statistiek te slagen zonder te studeren. Wat betekent dat studenten hun kans veel groter inschatten dan redelijkerwijs mag worden aangenomen.

 In geval van Den Ingenieur, het bier van Ingenium, de faculteitsclub van Industriële wetenschappen gaat het om een middelmatige (maar zeker geen slechte) tripel met een heel mooi etiket. Net zoals abdijbier niet smaakt naar paters, smaakt dit bier ook niet naar gegiste blauwdrukken van hangbruggen of wolkenkrabbers. Maar wie Ingenium liefheeft die proeft de vriendschap in het glas en wie zich zoals Bierman, graag mimentisch warmt aan de gloed van kameraadschap kan met een gerust hart een smakelijk glas meedrinken op de gezondheid en het heil van de student in het algemeen en die van Ingenium in het bijzonder. De rest van de wereld zal dit bier volmaakt onverschillig laten, maar dat was van bij het begin al de bedoeling. De brouwer heeft tenslotte zijn voorraad bij voorbaat al gesleten en de club heeft haar hart en ziel erin geprojecteerd, wat er verder mee gebeurt is voer voor historici.

 

  

Cara Blond en Cara Rouge

Van een student is het bekend dat deze wel eens een pintje lust. Daar zijn liederen over gemaakt die tot op vandaag lustig gezongen worden. Ook door Bierman overigens, die tot op vandaag zowel het bier als de liederen koestert als bijzondere schatten.

Onder studenten is Cara Pils van de Colruyt Groep inmiddels uitgegroeid tot een begrip. Dat is opmerkelijk aangezien Cara in 2015 nog even op de lijst stond om herdoopt te worden tot Everyday Pils, wat zoveel betekent als de goedkoopste pils op de markt. De winkel moest onder druk van haar trouwe fans noodgedwongen dit plan opgeven omdat de tijdsgeest Cara inmiddels tot een vloeibare meme had verheven. Tegenwoordig heet het dat de Cara Pils de ultieme prijs/kwaliteit verhouding heeft. Dat is in wezen hetzelfde aangezien alle Belgische Pils amper het drinken waard is in vergelijking met pakweg haar Tsjechische of Duitse tegenhangers. De Cara drinkende student is evenwel op een ironische manier van het besef doordrongen dat de Jupilers, Maes en andere bieren van deze wereld meer pretentie dan inhoud hebben. En dus is Cara is een sterk merk geworden. Een ironisch merk weliswaar, maar in wezen niet anders dan grote merken van de machtige brouwfabrieken van onze tijd, en aan de kassa maakt dat allemaal niet zoveel verschil.

Inmiddels is bij de herauten van het vrije ondernemerschap ook het besef gegroeid dat Cara een geschenk is dat blijft geven en dus werden recent met veel bazuingeschal de Cara Blond (8,5 % en 0,52 euro per blik) en de Cara Rouge (7,5% en 0,69 euro per blik) op de markt gebracht: speciaalbier met een sterke prijs-kwaliteitverhouding heet dat dan. Dat is zever in blik natuurlijk aangezien België wél wereldwijd bekend staat om zijn speciaalbieren en in dit specifieke geval goedkoper dus ook gewoon minderwaardig betekent.

Blijft over: een bier dat enorm veel alcohol voor een enorm lage prijs biedt, al dan niet aangelengd met mierzoete kriekensiroop om nog sneller te kunnen consumeren. Een klassiek voor- en indrink bier dat zich qua marketing expliciet richt naar studenten en andere groepen voor wie geld niet altijd ruim voorhanden is. Bier dus gereduceerd tot drager van alcohol. Waar Cara Pils de consument nog de illusie geeft om tegen het systeem te rebelleren met een de zelfverzonnen mythe van een subversief consumptiepatroon zijn de Cara Blond en Rouge platte zuipbieren waarmee Colruyt zich richt tot kwetsbare en beïnvloedbare mensen. Neem een willekeurig boek van Louis Paul Boon, vervang het woord jenever door Cara en je krijgt een beeld van wat hoe ontwrichtend dit kan zijn voor een gemeenschap. Daarmee bedoelt Bierman in de eerste plaats de gemeenschap van studenten hier in Antwerpen, maar ook de samenleving dreigt van dit soort onverantwoord cowboy-kapitalisme de rekening te betalen. Al was het maar omdat ziekenhuisopnames en gebuisde studenten met een alcoholprobleem veel geld kosten.

Overigens is het niet nodig om Bierman te heten om te beseffen dat in een samenleving die steeds kritischer wordt voor alcoholconsumptie, Cara Blond en Rouge het ideale glijmiddel zullen zijn voor strengere wetten en hogere accijnzen. In die zin schieten de makers van dit bier (laten we hen geen brouwers noemen) wel in hun eigen voet en in die van onze studenten. Maar op wie hebzuchtig genoeg is om Cara Blond en Rouge op de markt te brengen maakt dit waarschijnlijk weinig indruk. De ironische pils van weleer is een bitter en cynisch aftreksel van zichzelf geworden.