Stepa Tripel

Volgens het etiket is Stepa suikervrij Tripel bier, een gegeven dat Bierman – en met hem zonder twijfel het deel van bierminnend Vlaanderen dat geen diabeet is – gillend doet weglopen richting het eerste beste publieke huis om zich de verdrinken in sloten brouwsels van wat daar ook maar voor handen placht te zijn. Suikervrij is nu eenmaal niet cool en tot nader order zal het dat de komende jaren ook niet worden.

Voor dit bier pleit evenwel dat het gebrouwen wordt in de proefbrouwerij in Lochristi, vanwaar Bierman nog nooit iets slechts heeft geproefd. Dus als iemand iets treffelijks kan brouwen zonder suiker dan zullen zij het wel zijn zeker. Bovendien blijkt de Stepa Tripel ook hergist te zijn op de fles, wat het predicaat tripel bijgevolg zeer terecht maakt. De productiewaarde van de Stepa Tripel overstijgt dus met een grote factor die van soortgelijke bieren met een fysieke beperking (alcoholvrije bieren bijvoorbeeld).

En nu het toch over alcohol gaat: In de chemieles heeft de professor van dienst altijd wijsgemaakt aan Bierman (die toen overigens nog bierkind was) dat elke alcoholmolecule middels vitamine B2 in de lever wordt afgebroken tot zes suikermoleculen. Over welke vitamines het juist gaat en hoeveel suiker er in alcohol zit, is misschien doorheen de jaren het stof der tijd neergedaald, maar het Stepabier heeft 6 % alchohol en volgens Bierman moet dat na afbraak dan toch nog steeds neerkomen op een redelijk stevige hoeveelheid suiker. Helemaal onschuldig is dat toch ook weer niet denkt Bierman dan bij zichzelf. Of zit er subtiele een denkfout in zijn redenering en is er een professor die hier kan nuanceren (op het etiket staat prof. Jan M.C. Geuns vermeld, dus waarschijnlijk zal het wel veilig zijn, want een professor weet wat hij doet en een professor op een bieretiket is toch een geruststelling)? En wat met bieren als Orval of oude Gueuze, waarvan Bierman altijd heeft gehoord dat ze amper restssuikers bevatten? Al bij al een bier dus dat wel wat vragen oproept, maar dat neemt zeker niet weg dat het een lovenswaardig gegeven is dat brouwers bier trachten te maken voor mensen die doorgaans uitgesloten zijn van dit verheven product.

De zoete smaak van het bier komt Steviolglycosiden, ook bekend als de zoetstof uit de bladeren van de Steviaplant (een soort exotische zonnebloem). Het is een nieuwe suikervervanger die rondjes loop rond aspartaam (E951) en het etiket toont geheel toepasselijk een soort gestileerde versie van deze bloemetjes die zonder twijfel weldra in tientallen voedingsmiddelen terug te vinden zullen zijn. Deze zoetstof werd namelijk in 2010 vrijgegeven voor gebruik in voedingsmiddelen door de Europese Unie.

Zoet en bitter zijn twee smaken die overigens redelijk stevig aanwezig in dit bier. Misschien is het maar een idee maar het lijkt niet echt alsof ze samen tot een goede combinatie komen. De zoete smaak vormt niet echt een vanzelfsprekend onderdeel van dit bier, maar blijft er ergens onder hangen. Toch komt Stepa bier redelijk dicht bij de smaak van een originele, zij het lichte interpretatie, van een echte tripel. Mensen die geen suiker mogen consumeren, om wat voor reden dan ook hebben hier een echt alternatief voor een tripel voorhanden. Voor anderen is Stepa bier een eenmalig aardigheidje, niet slecht, maar ook niet iets om spontaan uit de kelder te halen als er nog eens volk over de vloer komt.

Lang leve Stepa Tripel dus en op naar het volgende bier !

Straffe Hendrik


Vorige week schreef Bierman nog over de Hertog Jan Grand Prestige, een zeer middelmatig bier van een (toegegeven moedige) brouwer die er in slaagde om ook E150c door zijn brouwsel te jagen. Het bier werd verkocht als Gerstewijn, een eer die ook dat andere omhooggevallen bier dat luistert naar de naam Kasteelbier, zichzelf in een vlaag van commerciële grootheidswaanzin heeft toegeëigend. Bierman is er eigenlijk nog altijd niet goed van, vandaar dat hij er nog eens op terugkomt. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat zoiets bestaat. Ten overvloede natuurlijk omwille van het feit dat er nergens op de aardkloot zoveel ronduit indrukwekkende bieren op zo een kleine ruimte naast elkaar bestaan. Waarom drinkt iemand dan in Godsnaam Hertog Jan Grand Prestige, Kasteelbier of zelfs Leffe? Waarom? Misschien houdt de mens vooral zelf de truweel vast waarmee hij zijn eigen hel metst. Wannes Van de Velde zaliger, zong op zijn CD de kleuren van de steden al:
het is zo moeilijk om te zwijgen
over de waanzin van den tijd
die met zijn ongebreideld stijgen
een overstroming voorbereid

Maar à rebours, tegen de keer en vooral tegen de middelmaat blijft Bierman de bieren bij de naam noemen die hen rechtens toekomt. Bij slecht bier kan nog wat uitleg volgen over wat er allemaal mis mee is. En een goed bier spreekt voor zichzelf, daar moet verder niet veel over gezegd worden. Wel dat het goed is wel natuurlijk. Dat is in het Latijn ‘Bene Dicere’: zeggen dat iets goed is. Hetzelfde dus als een benedictie of zegening. “Zalig dit bier”, kan ook, maar komt raar over op café. En toch, probeer het maar eens uit: “zalig de Straffe Hendrik, zalig iedereen die hem drinkt en zalig de brouwer die hem gemaakt heeft”.

Sinds Bierman’s laatste bespreking in 2008 is de Straffe Hendrik na heel wat vreemde omzwervingen terug thuisgekomen bij brouwerij de Halve Maan in Brugge, waar hij – laat ons eerlijk zijn – ook thuishoort. Deze bieren zijn ontstaan in de laatste stadsbrouwerij midden in het oude hart van Brugge, tussen de middeleeuwse panden en de aandoenlijke Japanse toeristen, te midden van de bloedprocessie, het begijnhof, de reien, de poertoren, het minnewater en de koetsen, in een omgeving die alleen maar spreekt van trage, eenvoudige degelijkheid, dingen die blijven terwijl mensen voorbijgaan.

De volle smaak van de Straffe Hendrik Tripel is na al die jaren nog steeds buitengewoon lekker. Mout en hop geven zoveel prijs in dit bier dat Bierman eigenlijk een jaar lang niets anders zou mogen drinken om het volledig te kunnen doorgronden. Toch is het vooral de donkerbruine Quadruppel die er in tussentijd is bijgekomen, die Bierman verzoent met de wereld. Het is een bescheiden bier. Geen Gerstewijn hier en Grand Prestige daar. Ook geen Stout in de titel, hoewel de Buffalo Stout bijvoorbeeld minder kleur en karakter heeft dat dit bier. De titulaire Quadruppel past perfect en straalt klasse uit. Verder “gewoon” 11 procent alcohol, diep donker bruin, mooi stevig bleek schuim, smaakexplosie en verfrissing in één en toch niet teveel van alles. Schoonheid ontroert en dit bier is vloeibare schoonheid. Zalig.

Hertog Jan Grand Prestige


Omdat Bierman veel liever wat onzin bij elkaar harkt over smakelijke bieren dan over commerciële brol, moet het ondertussen al vele maanden geleden zijn dat er nog eens een minderwaardig brouwsel de revue passeerde.  Helaas komt aan alle goede dingen een eind en ook Biermans besprekingen van een quasi eindeloze reeks topbieren wordt bij deze even afgewisseld met een bier dat de moeite van het drinken amper waard is.

De brouwerij zelf is gelegen aan de Maas en vormt op zich wel een mooi complex. Ze heeft inmiddels meer dan 100 jaar geschiedenis achter de rug, inclusief kapotgeschoten brouwzaal tijdens de tweede wereldoorlog en een overstroming van de Maas in 1993. Een brouwerij met een stamboom is alvast een veelbelovend begin en ook de makers van het etiket van de Grand Prestige hebben zich geen moeit bespaard om hun bier dik in de verf te zetten. Het feit dat een bier zoet en bitter is en veel alcohol bevat is blijkbaar voldoende om het op het etiket als gerstewijn te kunnen omschrijven. Maar bij het proeven van dit bier moest Bierman, geheel in Hollandse context, onwillekeurig denken aan het eeuwenoude raadsel: het is oranje, en het hangt in een boom en het roept: “ik ben een appelsien”. Het antwoord is een mandarijntje met een dikke nek (voor de Nederlanders: een zelfingenomen mandarijntje). Om maar te zeggen dat de Grand Prestige zich verhoudt tot een Barley Wine als een mandarijn tot een sinaasappel. Het bier haalt wel degelijk het niveau van een redelijke dubbel, maar in Biermans beleving blijft het ver verwijderd van een Gerstewijn. Om het etiket van zelfverklaarde Gerstewijn waar te maken, blijft het bier zitten met een stevig gebrek dat echte gerstewijnen als pakweg Rochefort of Westvleteren niet hebben: teveel alcohol voor te weinig smaak.

Wie dit al erg vindt, kijkt nu best even weg. Want bij de ingrediënten staan verder nog redelijk schaamteloos tarwezetmeel (zoet en alcohol weet u wel) en godbetert E150c opgelijst. Heeft Bierman even niet opgelet? Is het nu plots in orde om kleurstof in bier te gebruiken of zo? E150c is een wat vage omschrijving natuurlijk, maar gelukkig lijst het alwetende Wikipedia alle kleurstoffen voor de argeloze consument netjes op. E150 is Karamel, E150c is Ammoniakaramel en er is nog een andere versie met sulfieten, een stof die u waarschijnlijk kent van het wat vervelende feit dat ze in elke fles rode wijn zit. Ja, denkt Bierman dan bij zichzelf, waarschijnlijk zal hij weer iets gemist hebben en veel te snel conclusies trekken, maar zo kan toch iedereen van een dubbel een gerstewijn maken: gewoon besparen op de mout en karamel bijkappen. E150c, Ammoniakaramel… de realiteit overtreft toch erg vaak de fictie.

Bij deze doet Bierman een warme oproep aan alle lezers om hem elk bier met naam en toenaam te melden die dit soort praktijken toepast. Kleurstof en bewaarmiddelen horen niet in bier en tekstjes over bieren waarin wel E-nummers zijn erg makkelijk te schrijven. Zij het dat ze na een tijdje wel wat eentonig zouden beginnen worden.
Voor de volledigheid heeft Bierman heef ook de Hertog Jan Primator gedronken, maar tegen dan had hij al geen goesting meer om er nog veel over na te denken. Er zat geen kleurstof in, dat is al iets.